Hoorzitting over de aandachtspunten van het Vlaams Talenplatform voor een talenplan (Commissie Onderwijs, 30 januari 2020): een korte impressie

05 februari 2020

Het parlementaire verslag zelf is nog in voorbereiding, maar hierbij alvast een korte, persoonlijke impressie. Je kunt uiteraard ook al de video van de integrale vergadering bekijken. Liesbet Heyvaert (vicedecaan Onderwijs Faculteit Letteren KU Leuven) presenteerde een uitgebreid verhaal heel duidelijk en in een aangenaam Nederlands, geflankeerd door Lars Bernaerts (Vakgroep Letterkunde UGent), Luc Herman (vicedecaan Letteren en Wijsbegeerte UAntwerpen) en Rik Vosters (Departement Taal- en Letterkunde VUB). De presentatie bevatte zeker ook een aantal interessante cijfergrafieken.

Hieronder wijs ik kort en selectief op enkele zaken die me in het gesprek na de formele presentatie opvielen. Maar vooraf alvast graag een expliciete verwijzing naar de twee opiniestukken in De Tijd (21 mei 2019 en 3 december 2019, die hieraan voorafgegaan waren, en ook naar de vragen om uitleg in de namiddagvergadering van de Onderwijscommissie (over Frans)). Daarover kun je elders op deze pagina’s iets lezen.

Eén. Zoals Koen Daniëls terecht betreurde, enkele fracties blonken wel uit door hun afwezigheid. Toegegeven, daarvoor konden stuk voor stuk legitieme redenen bestaan, en toch. Zijn analoge opmerking over de aanwezigheid van journalisten sneed evenzeer hout. Uiteraard bestaat al een tijdje het heel handige instrument van de online uitzendingen van dit soort bijeenkomsten, waarvan ik me zelf ook af en toe noodgedwongen moet bedienen. Maar mocht het, -- ik zeg maar iets --, over iets (politiek) smeuïgs gaan met bv. wat bekende koppen, de camera’s en cs. zouden er wél zijn. Maar dat terzijde.

Twee. Uiteraard kregen we in dit gesprek met de onderwijscommissarissen ook weer de kwestie van “vaardigheden en kennis”. Hoezeer ik dat ook een pseudodebat blijf vinden, het verder verbreden van die kwestie naar het gewenste statuut van het schoolvak Nederlands en ook de andere taalvakken vond ik zelf boeiend en heel terecht. En ere wie ere toekomt, het was (alweer) Koen Daniëls die dat punt introduceerde. Het taalvak als (louter) middel (cf. communicatie) en het taalvak als doel op zich. Er werd betoogd dat ook woordenschat- en grammaticaonderwijs moesten kunnen. Wat communicatief taalonderwijs (en de invloed van het ERK) betrof, staken de universiteiten (enigszins) de hand in eigen boezem. Er zou (opnieuw) naar een beter evenwicht gegaan moeten worden tussen vaardigheden en kennis, ook daarbij rekening houdend met de leeftijd van de lerenden.  In de nieuwe eindtermen zou dat goed ingebouwd zijn, zo zei Liesbet Heyvaert. In de taalvakken moest de leraar in kwestie weer zijn passie voor taal kunnen overbrengen op leerders. Aanvankelijk leken mij de gesprekspartners die passie c.q. het plezier (in taal) nogal exclusief te verbinden met literatuuronderwijs, maar later trok diezelfde Heyvaert dat gelukkig toch weer verder open naar taalonderwijs tout court.  Van haar uitspraak echter dat in dezen het taaldidactisch onderzoek wel altijd duidelijk geweest was, dacht ik: dat weet ik nu echt nog zo niet… er wordt in onderwijs nogal snel in termen van ge- en verbodsbepalingen gesproken en ja, … ook op basis van wetenschappelijk onderzoek. Overigens heeft mijn lerarenervaring mij geleerd dat er overigens ook wel wat interessante mogelijkheden zitten in een integratie van taalvaardigheidsonderwijs én vakinhoudelijk onderwijs bij Nederlands, maar dat terzijde.

Eén ding vond ik wel heel vreemd in heel het gesprek over dat punt: letterlijk géén énkele keer viel het woord “onderwijsinspectie”… en ook geen woord over de ‘sturende impact’ (zowel in methode als bij evaluatie: die laatste is een klassieke, kritische kwestie in de onderwijsspiegels van de voorbije jaren) die uitgaat van haar optreden.

Drie. Met het punt van de ambitieuzere eindtermen kwam ook het aantal uren op de lessentabellen op de proppen. Uiteraard moeten ook daar de zaken in evenwicht zijn. En ongetwijfeld zullen op dat vlak in de praktijk problemen bestaan, maar… men zou zich er toch ook eens wat meer van mogen vergewissen dat de verwachtingen aan onderwijs, óók vanuit de maatschappij/politiek, enorm talrijk zijn en dat het aantal uren op de wekelijkse lessentabel hoe dan ook beperkt is. Wat er bovendien bij vak x moet bijkomen, moet er elders bij vak y wel kunnen afgenomen worden. Voeg daar nog allerlei andere schoolactiviteiten aan toe waarvoor de reguliere lessentabel occasioneel doorbroken moet worden om aan nog andere verwachtingen te kunnen voldoen, binnen en buiten de schoolmuren. En ik kan nóg andere dingen bedenken waaraan op school ook nog tijd besteed moet worden… Kortom, je merkt wel dat dat urenverhaal geen exacte noch makkelijke wetenschap is. Misschien moet men daar ook eens wat meer aan denken, wanneer men weer moord en brand schreeuwt over “een uur Nederlands minder”.

In verband met die tijdbesteding (contacturen op school) voeg ik nog graag een concrete casus toe uit het schoolvak Nederlands, met name degelijk schrijfonderwijs (met verschillende tekstgenres dus, zoals geprogrammeerd): als men dat goed wil doen, is dat een uiterst arbeidsintensieve en tijdvergende activiteit. Ik weet niet of daarvoor in de huidige context nog voldoende tijd is. Ten onrechte natuurlijk, maar mét àlle begrip voor de leraren die ook maar moeten roeien met de riemen die ze hebben.

Bovendien (en daarmee leg ik de link van het voorgaande met de evaluatie daarvan; overigens geldt dat ook voor de andere drie klassieke taalvaardigheden) heb ik het gevoel dat net door dat tijdgebrek activiteiten op die domeinen te weinig leeractiviteiten zijn en te veel meteen (summatieve) evaluatieactiviteiten. Want we moeten toch punten hebben voor het rapport, heet dat dan, waarvoor opnieuw alle begrip, maar eigenlijk klopt het niet vanuit een leerperspectief.

Vier. Een cruciaal punt in het betoog van het Vlaams Talenplatform betrof het aantal studenten in de universitaire talenopleidingen: we waren nog niet in Nederlandse toestanden verzeild geraakt, maar de daling van dat aantal was echt problematisch. Met alle negatieve gevolgen van dien: de te kleine omvang van de uitstroom, zeker ook naar het leraarschap; minder financiering voor zulke opleidingen waardoor nog meer gerationaliseerd moet worden en er nog minder mogelijk is. Er is blijkbaar een groot imagoprobleem met de schoolvakken in kwestie en met het leraarschap zelf. Waarmee we vanzelf weer belanden bij het zgn. Lerarenloopbaanpact/debat uit de recente geschiedenis. De vraag is hoe dat te keren en te vermijden dat die daling van het aantal studenten een race to the bottom wordt, bovendien in een tijd waarin meer studiemogelijkheden bestaan dan ooit tevoren. Ik ben niet wanhopig, wel sceptisch bv. over de ook in deze hoorzitting voorgestelde grootse (media)campagne naar het voorbeeld van STEM. Informeel zeg ik thuis weleens: “men” moet het de leraren maar nóg wat moeilijker maken en dan gaan “ze” er nog minder vinden die het nog willen doen. Eerlijk gezegd, vind ik die hele imagokwestie ook niet zo bijzonder: niet alleen de onderwijzer/leraar heeft niet meer de “maatschappelijke status” zoals in een onbepaald verleden. Geldt iets soortgelijks niet voor de huisdokter, de pastoor en… ja, ook het parlementslid in datzelfde onbepaalde verleden?

Los daarvan, ik was het volmondig eens met het accent dat Liesbet Heyvaert legde op de (ook vakinhoudelijke) professionalisering voor leraren. Dat die bovendien sterker onderzoeksgebaseerd moest worden, deelde ik ook, maar dan denk ik wel dat de onderzoekers in kwestie wat zichtbaarder zouden mogen worden. Toegegeven, ook dat is een kwestie van tijd en middelen voor zulk werk dat wellicht tot nog toe niet de eerste prioriteit van Vlaamse universiteiten was. Maar met de gloednieuwe educatieve masters is er hopelijk beterschap op komst.

Vijf. “Onderwijskoepels” hadden volgens het Vlaams Talenplatform een belangrijke functie in dit hele verhaal. Er waren al contacten geweest met vertegenwoordigers van zulke “onderwijskoepels” (N.B. Voor een goed begrip, ik gebruik die term hier in brede zin, niet in de strikt juridische zin). Men had ook al een uitnodiging van onze directeur-generaal Lieven Boeve op zak (tot spijt van wie het benijdt, dacht ik op dat moment in het gesprek…) en wachtte nog op een uitnodiging van het GO!.

Zes ten slotte. Het Vlaams Talenplatform had ook wensen inzake studierichtingen in het hele dossier van de modernisering secundair onderwijs. In de huidige zgn. “matrix tweede en derde graad” zagen ze een paar anomalieën. Waarom bestonden “succesvolle” studierichtingen als Latijn-wiskunde en Grieks-wiskunde alleen in de derde graad en niet ook in de tweede graad? Waarom was er geen “sterke” (exclusieve) talenrichting doorheen het hele traject? Waarom was er geen combinatie van “sterke” STEM met “sterke” moderne talen? Waarom was er in tso-D niets in de tweede graad en in de derde graad wel ineens “Taal en communicatiewetenschappen”? Ik vroeg me af of die wensen er echt wel zoveel toe zouden doen. De nieuwe so-structuur is een afslanking en vereenvoudiging van de huidige, nu uitdovende structuur, maar eerlijk gezegd, het gaat toch nog altijd om heel wat mogelijkheden. Bovendien: alles hangt af van wat er precies in die nieuwe studierichtingen geleerd wordt en van hoe die richtingen in de concrete praktijk welke types leerlingen aantrekken. Daar heb je als overheid (ook weer, tot spijt van wie het benijdt) veel minder vat op… denk ik.

Reageren op dit commentaar kan bij wilfried.vanrompaey [at] katholiekonderwijs.vlaanderen (subject: Hoorzitting%20over%20de%20aandachtspunten%20van%20het%20Vlaams%20Talenplatform%20voor%20een%20talenplan) (Wilfried Van Rompaey)

.