Hoorzitting over de gevalideerde toetsen voor het basisonderwijs (Commissie Onderwijs, 20 februari 2020): een korte impressie

25 februari 2020

Het parlementaire verslag zelf is nog in voorbereiding, maar hierbij alvast een korte, persoonlijke impressie. Je kunt uiteraard ook al de video van de integrale vergadering bekijken.

In vergelijking met de ochtendlijke hoorzitting over het lerarentekort vond ik deze hoorzitting toch een stuk concreter en bruikbaarder, ook in politiek opzicht. En finaal zal er toch politiek iets in dezen beslist moeten worden, conform het Regeerakkoord en de beleidsnota Onderwijs.

Er waren drie bijdragen, met deze sprekers: Patriek Delbaere (algemeen directeur, Onderwijsvereniging van Steden en Gemeenten), Steven De Laet (pedagogisch adviseur, coördinator basisonderwijs regio Oost en projectleider OVSG-toets), Elias Hemelsoet (coördinator Studie - en Ontwikkelingsdienst OVSG), Lieven Boeve (directeur-generaal Katholiek Onderwijs Vlaanderen), Hilde Hendrickx (schoolbegeleider Katholiek Onderwijs Vlaanderen), Anne Verhoeven (teamverantwoordelijke basisonderwijs, Dienst Curriculum en Vorming, Katholiek Onderwijs Vlaanderen), Prof. Dr. Rianne Janssen (hoofd Eenheid Onderwijseffectiviteit en -evaluatie, Faculteit Psychologie en Pedagogische Wetenschappen, KU Leuven) en Dr. Koen Aesaert (projectleider basisonderwijs en coördinator data-analyse Steunpunt Toetsontwikkeling en Peilingen).

Drie omstandige bijdragen die een heel goed beeld schetsten van het vele en complexe werk dat inzake gestandaardiseerde toetsen voor het basisonderwijs al verricht was in de context van kwaliteitsontwikkeling. Maar meteen werd ook duidelijk, zoals ook al bij recente parlementaire vragen daarover, dat het programma op dit stuk van de beleidsnota van minister Weyts nog heel wat voeten in de aarde zou hebben (lees: tijd en middelen vergen).

Hieronder wijs ik kort en selectief op enkele zaken die me in het gesprek opvielen. Een overigens lang gesprek (terecht!), dat door de complexiteit van de materie overigens niet altijd even duidelijk was.

Eén. Een van de belangrijkste vragen van de namiddag leek mij de vraag naar een duidelijke en werkbare definitie van het begrip “leerwinst”, zoals dat in de beleidsnota Onderwijs naar voor komt en elders op deze pagina’s al meerdere keren ter sprake kwam. Het punt werd door meerdere interveniënten vermeld. Rianne Janssen stelde duidelijk dat individuele leerwinst, zoals de beleidsnota die op het oog heeft, niet hetzelfde is als de “toegevoegde waarde” door een school, waarover zij sprak bij de huidige paralleltoetsen. De gebruikte methodologie was wel uitbreidbaar naar een systeem van leerwinstmetingen door vooruitgang op de gebruikte meetschaal in te bedden in het systeem. Elias Hemelsoet omschreef leerwinst dan als “toegevoegde waarde door toedoen van de school doorheen de tijd, bovenop de natuurlijke groei van een leerling”. Hoe dan ook zou dat een heel complexe zaak zijn. Koen Aesaert voegde daar zelfs nog een element aan toe, nl.: wanneer zou de vastgestelde leerwinst als voldoende beschouwd worden? Evenmin eenvoudig. Tijdens een politieke onderhandeling zoiets schrijven in een regeerakkoord was één ding, zoiets concreet en adequaat realiseren zou duidelijk een ander zijn.

Twee. Wanneer men wist dat de huidige paralleltoetsen alleen nog maar werkten met één cesuur (nl. al of niet de eindtermen in kwestie behalen) en wat een investering van tijd en geld dat al gevergd had, hoefde het geen betoog dat het door de beleidsnota gewenste vervolg nog een heel stuk complexer zou worden. Naar het voorbeeld van PISA, dat met zes beheersingsniveaus werkt, wilde Koen Daniëls niet voor het eerst ook zoiets in de toekomstige gestandaardiseerde toetsen. In feite kwamen we daarmee op het terrein van de leerplandoelen, die met name pretenderen uiteraard de eindtermen te bevatten, maar daarnaast ook de verdieping en verbreding ervan.

Drie. Dat laatste had rechtstreeks te maken met een te verwachten vraag, overigens van meerdere parlementsleden: was er niet te veel overlap tussen al die bestaande toetsen, moest er niet veel meer samengewerkt worden tussen de diverse actoren en kon één toets eigenlijk niet volstaan? Rianne Janssen had in haar presentatie daarop al een stuk geanticipeerd en gesteld dat ze, met het oog op de beleidsnota en het uitklaren van de relatie tussen de verschillende toetsen vandaag, bereid was tot overleg. Ze gaf daarbij blijk van enig gevoel voor humor en sprak van een “Kamp-Weyts”. Mooi, dacht ik bij mezelf, maar wie in de rol van Fly zou zitten, was mij niet zo meteen duidelijk.

Lieven Boeve (en eigenlijk sloot het betoog van de OVSG-mensen daar ook wel bij aan) ontwikkelde daarop zijn voorstel voor een gezamenlijk model, opgemaakt in een consortiumformule tussen de verschillende actoren, waarbij voor de eindtermen de toets dezelfde zou zijn voor iedereen en voor de leerplandoelen variatiemogelijkheden ingebouwd zouden worden. Rianne Janssen stelde dat blijven toetsen op systeemniveau ook belangrijk was. Aldus konden, eventueel gefaseerd via een stappenplan en in een werkbare samenwerking tussen de actoren, de verschillende doelen en voorwaarden gerealiseerd worden. Verantwoording ten aanzien van de overheid, schoolontwikkeling, waarbij scholen zelf naar hun kwaliteit kijken en het eigenaarschap bij de scholen zelf ligt, en de eigen interne kwaliteitszorg van het hele net. Dat was het antwoord dat Katleen Krekels kreeg op haar vraag: “Als de overheid zou beslissen dat in de toekomst alleen de (in de zin van de beleidsnota uitgebreide) toetsen van het Steunpunt Toetsontwikkeling en Peilingen nog zouden overblijven, wat zouden we dan als overheid verliezen?”. Wat mij niet zo duidelijk was, was of die vraag puur hypothetisch bedoeld was, of dat die piste net het standpunt van Krekels’ fractie was.

Vier. Steve Vandenberghe wierp de kwestie op van te veel toetsen (toetsstress) en van de plaats van de hier besproken toetsen in het geheel van de reguliere leerlingenevaluatie op school. Terecht. Zoals sommige politici voorstonden, werden de OVSG-toets- en de IDP-resultaten doorgaans als slechts één element in de concrete leerlingenevaluatie meegenomen, want dat was een veel breder verhaal. Metaforisch taalgebruik was ‘in’ in deze vergadering (cf. infra). Voor dit element in het gesprek debiteerde Anne Verhoeven deze: de totale leerlingenevaluatie was het portret van de leerling, IDP waren enkele pixels.

Vijf. Het was niet voor niets dat de netten tot nog toe alleen zulke toetsen hadden voor het lager onderwijs. De situatie in het secundair onderwijs zou nog heel wat complexer zijn. Al die drang van de overheid naar meer standaardisering mocht zeker de beroepsfierheid van leraren (hun eigen leerlingen iets bijbrengen) niet in het gedrang brengen.

Zes. De betrokkenheid bij de opmaak van de netgebonden toetsen, waarvoor zij inderdaad geen specifieke middelen krijgen van de overheid, en de opvolging daarvan, werd door de twee netten wel degelijk als een rol van de pedagogische begeleidingsdiensten beschouwd in het kader van hun decretale opdracht inzake kwaliteitsontwikkeling. Alleen (of nog meer) vraaggestuurd mogen werken, zoals de beleidsnota in tegenstelling tot het (her)visitatierapport van de commissie-Monard vooropstelt, was dus niet voldoende. Roosmarijn Beckers voegde haast aan het eind van het gesprek daaraan fijntjes toe dat de geplande besparingen op de pedagogische begeleidingsdiensten dan toch misschien niet zo’n goed idee waren…

Zeven. De politici werden door de onderwijsverstrekkers vriendelijk uitgenodigd om te gepasten tijde eens zelf deel te nemen aan de bestaande netgebonden toetsen.

Acht. Koen Daniëls had nog een niet zo makkelijk te volgen vraag in petto met betrekking tot de reden waarom die “zogenaamd goede” OVSG-toetsen en IDP niet de diverse slechte resultaten op peilingstoetsen en internationale toetsen à la PIRLS hadden kunnen voorspellen, maar hij werd, wél goed te volgen, van antwoord gediend door Lieven Boeve, Rianne Janssen, Patriek Delbaere en Elias Hemelsoet: die netgebonden toetsen konden de bedoelde achteruitgang niet voorspellen omdat ze qua opzet en format gewoon anders zijn. Overigens wordt door bepaalde ingrepen daarin nu al wel in zekere mate gekeken naar evoluties in resultaten.

Negen ten slotte. Als uitsmijter nog de zeep/douchegel-metafoor uit de vergadering (cf. ook de boeiende wet van Goodhart), die we te danken hadden aan Steven De Laet (OVSG), diens lectuur van het boek Het best verkochte boek ooit (met deze titel) (2018) van Sanne Blauw (waarvan ik intussen toch nog een ietwat kritischere recensie gelezen heb) én de repliek van Koen Daniëls daarop. Die had te maken met de mogelijkheid om van de huidige toetspraktijk over te gaan naar een vernieuwde, meer uitgebreide aanpak, conform de beleidsnota Onderwijs. Sanne Blauw had geschreven dat als je te hard knijpt in het zeepje, het uit je hand glipt. En Koen Daniëls wilde van dat zeepje een fles douchegel (met een touwtje) maken zodat daaruit nog veel meer geknepen kon worden. De toekomst van Flanders DC (District of Creativity, weet je wel!) is dus verzekerd. Een en ander deed de sp.a-fractiesecretaris, die toevallig aanwezig was, op fluistertoon besluiten: “Ik ga douchen.” En weg was hij.

Reageren op dit commentaar kan bij wilfried.vanrompaey [at] katholiekonderwijs.vlaanderen (subject: Hoorzitting%20over%20de%20gevalideerde%20toetsen%20voor%20het%20basisonderwijs%2020-02-2020) (Wilfried Van Rompaey)

.