Hoorzitting over kwaliteitsvol onderwijs met voldoende en sterke leerkrachten (4) (Commissie Onderwijs, 12 maart 2020): een korte impressie

18 maart 2020

Nog net vóór het Vlaams Parlement op slot ging voor fysieke, externe bezoekers (virtuele mag nog wel) was ik getuige van een heel interessante (misschien wel de beste tot nog toe van de reeks) vierde hoorzitting met die wat langere titel, maar die de facto draait rond het lerarentekort. Ondanks corona hadden we om 10.50 u (ruwweg een 40 minuten na de aanvang) toch tien onderwijscommissarissen in de zaal, dus een quorum van 2/3… Anderzijds blijft dat aantal me toch ook enigszins verbazen.

Het parlementaire verslag zelf is nog in voorbereiding, maar hierbij alvast een korte, persoonlijke impressie. Je kunt uiteraard, zoals steeds, ook al de video van de integrale vergadering bekijken.

Na zijn ziekte kreeg Tim Surma (research manager, Expertisecentrum voor Effectief Leren, Thomas More Hogeschool) een tweede kans en ik kon die echt smaken. Idem dito voor Els Consuegra (postdoctoraal onderzoeker, vakgroep Educatiewetenschappen, VUB). Deels elkaar overlappende, maar ook deels complementaire verhalen. Boeiende verhalen van serieuze mensen, waar ook wel een paar kanttekeningen bij te plaatsen waren. Maar dat vind ik geen probleem, integendeel: voor mij zegt dat àlles over de aard van het beestje. Het complexe thema dus, niet de eenvoudige commentator die ik ben.

Hieronder wijs ik kort en selectief op enkele zaken die me in het gesprek opvielen.

Eén. Niet onverwacht kwam een thema van de derde hoorzitting (met o.a. de NVAO) heel duidelijk terug: dat van  de “gap” tussen de theorie en de praktijk, of zo je wil, de soms tegengestelde visies tussen lerarenopleidingen en stagescholen met soms alle gevolgen van dien voor de stagiairs en hun leermogelijkheden tijdens de stages. Beide sprekers maakten in dit verband een duidelijk statement: ze vonden dat ‘de’ school in onvoldoende mate als een leeromgeving fungeerde, zowel voor stagiairs van de initiële lerarenopleiding als voor personeelsleden later in hun loopbaan (cf. ook punt vier hieronder). Wellicht valt daar wat voor te zeggen, zelfs véél, maar dat lijkt mij allemaal ook iets makkelijker gezegd dan gedaan: een school is nu eenmaal ook wel een werkomgeving waar een veelheid aan doelen bereikt moeten worden en zulks in een niet onbeperkte tijd. Maar goed, er zijn ongetwijfeld, met een beetje goede wil, óók kansen om toch wat meer ook leeromgeving te zijn.

Twee. Bij beide sprekers kon je het thema beluisteren van al of niet meer overheidsingrijpen/sturing: inzake eindtermen/domeinspecifieke leerresultaten in lerarenopleidingen, inzake de lerarenloopbaan, inzake de kwaliteit van nascholingen. Het was me niet zomaar duidelijk of de sprekers (sommige politici wilden dat duidelijk wel) meer overheidssturing wilden. Met zijn Engelse voorbeeld leek Surma zulks wel te impliceren, maar Consuegra kaartte later dan weer “meer accountability” aan als reden nummer 1 (ook in UK-studie) om vroegtijdig het lerarenberoep te verlaten. Zij wees er ook op dat scholen eigenlijk weinig middelen hadden om zelf een HR-beleid te voeren en leek daarmee toch aan te geven dat ze meer flexibiliteit en meer autonomie voorstond op dat stuk i.p.v. meer overheidssturing.

Drie. Het ging ook over inhoud: van de curricula in de lerarenopleidingen, van nascholingen, van handboeken. Zeker Surma gaf wat voorbeelden van praktijken die niet evidence informed waren. Zeker boeiend, al lijkt het mij (en daarmee komen we altijd weer terug bij de grond van de zaak) niet altijd zo makkelijk om uit te maken of een bepaalde didactische praktijk/aanpak evidence informed is of niet.

Wat de vraag naar wélke inhoud betrof, pleitte hij voor de curricula van de lerarenopleidingen vooral voor “meer vak en vakdidactiek”. Anderzijds kun je er natuurlijk ook  niet naast kijken dat de verwachtingen aan de lerarenopleidingen enorm gestegen zijn én bovendien zijn die verwachtingen complex én divers. Ik had het er hier al vaker over. Mooi vond ik dan ook Consuegra’s pleidooi om verschillende referentiekaders in de lerarenopleiding op te nemen: een cognitief-psychologisch, een sociologisch, een juridisch, maar ook een filosofisch referentiekader. Maar vooral mooi was haar overtuiging dat hoe goed je bijvoorbeeld ook mocht weten hoe ons brein leert, je als stagiair, als leraar zulke kennis nog altijd moet kunnen vertalen naar die precieze, concrete context van plaats, tijd en leerders met wie je aan de slag moet. En dat is niet altijd eenvoudig. Zo eenvoudig is dat. Ik vond dat een heel terecht punt, dat eenieder wat meer bescheiden mocht maken. Als een school, ook voor toekomstige en huidige leraren meer een leeromgeving moet zijn, moet er, denk ik, ook meer ‘geprobeerd’ kunnen worden, en ja, dat impliceert ook fouten maken. Fouten waaruit vervolgens inderdaad geleerd moet worden.  

Vier. Daarbij aansluitend besteedden beide sprekers heel wat aandacht aan hun werkwijze van (onderzoeks)projecten samen met scholen, mét focus op leerwinst van leerlingen (en ook van de betrokken leraren). Uiteraard alweer heel mooi en boeiend, maar zulke projecten lijken mij veel tijd en energie te vergen. Bovendien, en daarmee kom ik even terug op die kwestie van evidence informed hierboven, heb ik soms de indruk dat deze onderzoekers zulke projecten iets te veel als exacte wetenschap voorstellen. Maar goed, dat in zulke (langdurige, grotere) projecten voor leraren mogelijkheden tot leren zitten, valt niet te betwijfelen. Nu gebeurde dat trouwens “bovenop de gewone job”, dus niet-gefinancierd, aldus Consuegra, en dat zag zij (wellicht) graag anders. Wat zulke begeleiding/professionalisering in het continuüm “initiële lerarenopleiding-aanvang loopbaan-verdere loopbaan betrof, vermeldde ze wel met letterlijk géén woord de pedagogische begeleidingsdiensten. Een vergetelheid, of niet?

Vijf. De enige kortetermijnmaatregel voor het lerarentekort in de hoorzitting ging over de vergoeding van de anciënniteit van zijinstromers, tja…we kennen allemaal de voorgeschiedenis daarvan, maar wie weet, openen zich op dat vlak nieuwe opportuniteiten. Al de overige thema’s sloegen niet onverwacht op langetermijnbeleid tot spijt van wie het benijdt.

Zes. De twee belangrijkste redenen voor vroegtijdige uitstroom uit het lerarenberoep in een UK-onderzoek bleken op 1. de sterke mate van accountability (dus verlies van eigen controle) en op 2. problemen met storend gedrag in de klas (dus klasmanagement).

Zeven ten slotte. Consuegra was een groot believer van de zgn. LIO-baan: maar die was te zwaar in zijn huidige modaliteiten, en daar had men met de nieuwe educatieve master een kans laten liggen, vond zij. Dat zo’n combinatie van werken en opleiding volgen niet vanzelfsprekend is, lijkt mij een waarheid als een koe. Klopt! Maar…wat mij anderzijds dan toch weer stoort, is de spanning tussen die hoge verwachtingen aan (toekomstige) leraren (lees: zo’n opleiding vergt tijd) versus “het mag allemaal niet te lang duren want dan is het niet aantrekkelijk voor studenten/zijinstromers”. Tja…

Het Vlaams Parlement heeft intussen ook strenge coronamaatregelen genomen. Het vervolg van deze hoorzittingen is mij op het moment waarop ik dit schrijf onbekend.

Reageren op dit commentaar kan bij wilfried.vanrompaey [at] katholiekonderwijs.vlaanderen (subject: Hoorzitting%20over%20kwaliteitsvol%20onderwijs%20met%20voldoende%20en%20sterke%20leerkrachten%20(4)%2012-03-2020) (Wilfried Van Rompaey).