Commissie Onderwijs 10-11-2016 – Oriënteringsproef en niet-bindende toelatingsproef lerarenopleiding

16 november 2016

Voor het tweede onderwerp van deze commissievergadering opnieuw een zgn. gekoppelde vraag, weliswaar over twee verschillende soorten “proeven” in de overgang tussen secundair en hoger onderwijs, en óók een belangrijk, maar misschien wat eenvoudiger dan het verpleegkundeverhaal, onderwijsbeleidsdossier.
Terminologisch frappeerde mij alvast het expliciet uitgesproken geloof van onderwijscommissaris Koen Daniëls in het gebruik van een term die zegt wat de gebruiker ervan wil dat die zegt (tot zover prima) en dus wilde hij per se dat inzake de lerarenopleidingen de term ter zake uit het regeerakkoord werd gebruikt, zijnde: “niet-bindende toelatingsproef”. Ik heb daarover hier al eens eerder geschreven en toen o.a. opgemerkt dat de minister zelf eigenlijk liever een andere term zou gebruiken omdat zij wél het probleem ziet met die huidige term. Maar nu kan ik niet anders dan hier er akte van nemen dat vragensteller Daniëls gelooft in een contradictio in terminis, want dat is noch min noch meer wat die term uit het regeerakkoord is.
Hoe waren de testervaringen met de oriënteringsproef Columbus en wat met de betrokkenheid van HBO5 daarbij, wilde onderwijscommissaris Ann Brusseel weten. Onderwijscommissaris Daniëls had analoge vragen maar dan over de zgn. “niet-bindende toelatingsproef” lerarenopleiding.

Cruciale aspecten van zulke tests zijn de validiteit en betrouwbaarheid en daarrond zou de volgende jaren het nodige werk gedaan worden, aldus minister Crevits, naast ook zorgvuldigheid in de bepaling van de cesuur en de aard van feedbackmodules bij de testresultaten van elke deelnemer. Heel terecht, maar het was dan toch een beetje vreemd dat de minister in afwachting van de validering, de tests die nu in een eerste fase worden afgenomen toch al valide noemde.
De minister gaf alleszins wel een gedetailleerd beeld van alle acties die voor de twee soorten tests tot nog toe waren ondernomen en die nog gepland waren in een toch niet zo eenvoudig dossier. Ook de technische kant van de zaak kwam aan bod en zo lijkt het bv. zeker een efficiënte keuze om én voor Columbus én voor de instapproef lerarenopleidingen één softwareplatform te gebruiken. Andere relevante elementen in deze toetsproblematiek waren nog: de vereiste machtiging van de Vlaamse Toezichtcommissie inzake privacy (en instemming van de deelnemers aan Columbus en van hun ouders), het draaiboek ter zake van het VLOR-platform dat eind november naar de scholen zal gaan en de sociale dimensies van het thema, met name een test als een stimulerend instrument voor sociale emancipatie, maar ook het vermijden van een social en gender bias. Dat laatste, een stokpaardje van onderwijscommissaris Brusseel, deed mij eraan denken dat er misschien net beter wél een gender bias in de instapproef lerarenopleiding zou zijn maar dan ten behoeve van mannen, gelet op de enorme feminisering van het lerarenberoep de voorbije jaren… Hoewel men in het algemeen wellicht het best heel omzichtig blijft omgaan met deze tests, vond ik dat vragensteller Daniëls wel spijkers met koppen sloeg, toen hij informeerde, gelet op de kwaliteitsbekommernis van wie instroomt, naar welke leerlingen uit het secundair onderwijs in de pretest lerarenopleiding bevraagd waren en de minister na haar aanvankelijke antwoord toch wat voorzichtiger werd door te stellen dat ze daarover geen details nu bij zich had en bijkomende informatie zou bezorgen.

Lees de bespreking van de “Vraag om uitleg over de oriënteringsproef Columbus na de testfase van Ann Brusseel en over de niet-bindende toelatingsproef voor studenten in de lerarenopleiding van Koen Daniëls” aan minister Hilde Crevits.

Reageren op dit commentaar kan bij wilfried.vanrompaey [at] katholiekonderwijs.vlaanderen (subject: Commissie%20Onderwijs%2010-11-2016%20%E2%80%93%20Ori%C3%ABnteringsproef%20en%20niet-bindende%20toelatingsproef%20lerarenopleiding) (Wilfried Van Rompaey)

.