Commissie Onderwijs 14-05-2020 – Begrotingscontrole en programmadecreet

19 mei 2020

Deze eerste begrotingscontrole van de (initiële) begroting-2020 speelde zich, na de reeks coronacrisisgedachtewisselingen, ook nog af in coronatijden en verliep dus ook online. In tegenstelling tot ‘reguliere tijden’ moesten de onderwijscommissarissen hun vragen vooraf schriftelijk indienen (blijkbaar al tegen de avond van 12 mei). Liefst 30 pagina’s vragen en dus had minister Weyts voor zijn computerscherm een nog groter pak papier met antwoorden bij zich. Die wel heel strakke timing én de grote kwantiteit aan vragen maakte er het leven, in deze drukke coronatijden, niet eenvoudiger op voor het kabinet van de minister, zijn administratie én voor hemzelf. Hij had nog niet alle antwoorden helemaal kunnen lezen en sprak met betrekking tot zijn toelichting, die twee uur in beslag zou nemen, over “gekapt stro”, waarmee hij (naar eigen zeggen) naar godsvrucht en vermogen zou proberen te antwoorden op de vele (soms heel punctuele) vragen. De godsvrucht noemde hij alvast groot, groter dan het vermogen.

Ondanks die aanpak kwam er na de toelichting van de minister toch nog een aanzienlijke repliekronde van de onderwijscommissarissen. Gelukkig hielden sommigen zich wat in (want inderdaad, hun ingediende vragen waren beantwoord). Anderen verdacht ik ervan (maar ik kan dat natuurlijk niet bewijzen) dat ze in hun interventies toch nog heel wat herhaalden van wat ze al ingediend hadden, naast nog wat bijkomende punten. De antwoorden van de minister op die repliekronde waren al bij al beknopt, maar blijkbaar volstond dat toch want er volgde geen tweede repliekronde. Alleen nog de indicatieve stemming over de uitgavenbegroting (cf. infra).

Hieronder doe ik een poging om slechts heel selectief enkele punten te vermelden, die mijn aandacht trokken tijdens de commissievergadering in kwestie. Een greep dus uit het grote aanbod.

Een begrotingscontrole is eigenlijk de opvolging van de initiële begroting. Voor een goed zicht op de zaak is het dan ook nuttig om aan te knopen bij de oorspronkelijke beleidsplannen. Maar…toen was er natuurlijk nog geen sprake van corona, nu wél. Vandaar dat het bij de voorliggende begrotingscontrole om een combinatie ging van de oorspronkelijke plannen (met ook besparingen en het lot daarvan ook in het licht van het tweede element van de combinatie) en corona-uitgaven.

Eén: budgettair. Algemeen ging minister Weyts door op zijn investeringselan (N.B. Elisabeth Meuleman had het wel opnieuw een beetje moeilijk met die voorstelling van zaken: zij beloofde niet eenzijdig negatief te zijn over de ministers begrotingsprestaties, als ook hij wat minder de investeringstrom zou roeren) van bij de initiële begroting en beklemtoonde dat deze begrotingscontrole nog eens 95 miljoen euro legde bovenop de 362 miljoen euro die er al bijgekomen was t.o.v. 2014. Klassiek heeft zo’n stijging er nogal mee te maken dat allerlei aanvankelijke voorlopige ramingen van parameters naderhand preciezer vastgelegd kunnen worden (bv. voor de lonen van het onderwijspersoneel, die toch een fiks aandeel uitmaken van de onderwijsuitgaven; cf. ook de later dan geplande indexaanpassing, goed voor -11,5 miljoen euro). Maar er waren nog andere positieve elementen ook (cf. infra).

Twee. Na die algemene vaststelling liep de minister systematisch door de diverse elementen van het ontwerp van programmadecreet, dat makkelijk te volgen is via de memorie van toelichting (p.10-18). Ik licht hieronder enkele elementen daaruit, die soms ook nog reacties uitlokten bij de onderwijscommissarissen. In deze fase van het begrotingsjaar, na intussen sociaal overleg,  werden bepaalde zaken al concreter dan  in de initiële begroting. Dat betekende niet dat alles altijd al glashelder was, maar dat komt wel meer voor bij begrotingen.

Drie. Aldus schetste minister Weyts voor het basisonderwijs wat hij afschafte (de omzetting van niet-ingevulde vervangingen in vervangingseenheden (ook in het secundair onderwijs, en wel pas vanaf 1 juli 2020), wat nogal kwaad bloed zette bij een aantal oppositieleden), maar netto zou daar niet bespaard worden. Hij verwees bijvoorbeeld naar de verlenging van het lerarenplatform, naar de zomerscholen (daar kwam corona dus al om het hoekje kijken), de uitbreiding van de zorgtijdgarantie (ook in het secundair onderwijs; nu +10 miljoen en op jaarbasis +30 miljoen), maar vooral ook de 7,7 miljoen euro voor de aanvankelijk wat mysterieuze leerlingondersteuners. Blijkbaar ging het op het niveau van de scholengemeenschappen om een stijging van de zorgenveloppe en die ondersteuners zouden zich bezighouden met het domein van “leren en studeren”, wat mij een verwijzing leek naar het decreet leerlingenbegeleiding (N.B. Niet te verwarren met het toekomstige Begeleidingsdecreet ter vervanging van het M-decreet) van vorige legislatuur. Er waren ook nog bedragen voor taalstimuleringsprojectoproepen (Taalstimulerende activiteiten Nederlands en Lezen op school), die eerstdaags gepubliceerd zouden worden (2,7 miljoen) en voor de taalscreening van kleuters, waarvoor het Centrum Taal en Onderwijs van de KU Leuven aan de slag zou gaan vanaf najaar 2020 (3,1 miljoen). Wat die taalstimuleringsprojectoproepen betrof, ging het ineens wel heel vlug want op 19 mei werd mij gemeld dat de oproepen al online stonden, incl. blijkbaar al een aantal preferentiële opties…

Vier. Voor het secundair onderwijs kreeg niet onverwacht de operatie “van 20 miljoen naar 0,5 miljoen euro” (cf. de initiële besparingsdoelstelling voor 2020) nogal wat aandacht én bijval, ook van de oppositie. Maar toch waren enkelen van die laatste niet gerust in het verdere vervolg. Bijna de helft (9,7 miljoen) van die oorspronkelijke besparingsdoelstelling werd gerealiseerd door de bij de opmaak van de begroting gebruikte jaarbedragen te herrekenen naar alleen de maanden september-december van 2020. Voorts werd de hertelling op 1 oktober in het eerste jaar secundair onderwijs geschrapt en nieuw beleid werd uitgesteld (N.B. Of daarbij ook de 7,5 miljoen hoorde voor het lerarenpact (so) was mij niet duidelijk). Minister Weyts benadrukte in dit verband nog eens de goede samenwerking met de sociale partners, die zich verantwoordelijk getoond hadden. Toch een heel aangename vaststelling, die we op basis van het verleden en bij de aanvang van de legislatuur niet meteen verwacht hadden…

De onderwijsadministratie onderzocht momenteel alle mogelijke scenario’s voor een nieuw financieringsmodel dat aangepast zou zijn aan de modernisering so en operationeel vanaf het schooljaar 2022-2023.

Vijf. Voor het volwassenenonderwijs ging het enerzijds over de wijziging in de rol van Vocvo (Vlaams Ondersteuningscentrum voor het Volwassenenonderwijs), de EVC-financiering, de aftopping van de groei voor niet-NT2-opleidingen en de overgangsmaatregelen naar het nieuwe financieringssysteem, maar anderzijds ook over de (op 7 mei al aan bod gekomen) uitgebreide brief van de (katholieke) cvo’s aan minister Weyts et al., die een accuraat beeld gaf van de problematische situatie in die sector, mede (maar niet alleen) in de context van corona. Het aantal inschrijvingen voor volgend schooljaar moest inderdaad gemonitord worden, aldus minister Weyts, maar “Vlaanderen stond met de vragen van het volwassenenonderwijs om te heropstarten er alleen voor” (lees: voor bao en so had de minister nog samen met de Franstalige en Duitstalige collega’s kunnen optreden).

Zes. In het (al oude) OBE-verhaal (Onderwijsbelastingseenheden) van de hogescholen ging er vier miljoen euro naar een beperkte verhoging in het studiegebied IWT (coëfficiënt 1,20 è 1,25) en in HWBK (coëfficiënt 1,00 è 1,01) (maar cf. ook infra). Minister Weyts had in dezen anders beslist dan het VLHORA-voorstel ter zake, dat volgens de minister te zeer een versnippering van de middelen zou betekenen. Voorts herhaalde hij zijn eerdere kritiek op het sp.a-voorstel van resolutie (N.B. Dat staat geagendeeerd voor behandeling in de Onderwijscommissie op 28 mei.), waarvoor enkele parlementsleden opnieuw aandacht vroegen.

 

Zeven. Positief onthaald werd de gedeeltelijke terugdraaiing van de besparingen op de pedagogische begeleidingsdiensten (-1 miljoen euro), maar de minister meldde dat het overleg over de toekomstige opdrachten van de pedagogische begeleidingsdiensten nog zou worden opgestart. Zoals voor het verdere vervolg op de (nu verminderde) so-besparingen, vreesde ook hier Hannelore Goeman voor de verdere toekomst.

Acht. De minister voorzag in vastleggingskredieten van 17 miljoen euro extra voor capaciteitsnoden, een budgetverschuiving die gemonitord zou worden.

Negen. In de coronacontext kwam er, naast 1 miljoen euro voor het laptopproject, nog eens 4,7 miljoen euro voor ICT, die volgens het bestaande financieringsmechanisme voor ICT verdeeld zou worden. Daarop reageerden verschillende oppositieleden kritisch vanuit meerdere invalshoeken.

Tien. Voor internaten sprak de minister enerzijds van een eerste schijf voor de opvang tijdens de paasvakantie van 570.000 euro, en in het ontwerp van programmadecreet (p.18, bovenaan) ging het om 499.000 euro als eenmalige  toekenning van extra werkingsmiddelen voor ‘geplaatste kinderen’. Het was mij niet duidelijk of dat nu tweemaal over hetzelfde ging of niet. In zijn mondelinge toelichting had de minister het daar duidelijk over diverse “coronamiddelen”: 5,7 miljoen voor ICT, 570.000 voor internaten en 368.000 euro voor de organisatie van het toelatingsexamen (tand)arts.
Intussen kwamen er ook geluiden vanuit het werkveld zelf (Andries Vander Plaetse, Internaatbeheerder VTI Brugge) en vanuit het Vlaams agentschap Opgroeien als reactie op het eerste. Toch geen eenvoudige situatie. 

Elf. Nog een ander corona-item betrof de zomerscholen, waarover minister Weyts een plan aangekondigd had tijdens de vorige commissievergadering op 7 mei. Om 10.01 u op 14 mei, de ochtend dus van déze commissievergadering, had het kabinet-Weyts een persbericht verstuurd met de oproep voor zomerschoolprojecten, incl. de financiering van 25 euro/leerling/dag. Vanwaar precies het verschil kwam met de 30 euro/kind/dag als projectsubsidie aan lokale besturen voor opvang tijdens de schooluren (goedgekeurd door de Vlaamse regering op 15 mei) was niet meteen duidelijk. Zou lesgeven minder kosten dan kinderopvang?

Tussen haakjes, de minister ging niet mee in de redenering van Loes Vandromme als zouden die zomerscholen betaald worden met de afschaffing van de omzetting van niet-ingevulde vervangingen in vervangingseenheden (cf. supra). Want dat zou geen structurele maatregel zijn, terwijl hij net zomerscholen wél structureel wil verankeren.

Twaalf. Meerdere elementen dan van een van de belangrijkste onderwijsdossiers deze legislatuur: de lerarenloopbaan en aantrekkelijkheid van het beroep (cf. lerarentekort). Meer bepaald ging het uitgebreid over zijinstromers en de uitbreiding van de vaste benoeming, maar vooral ook over een versnelde (na één jaar) vaste benoeming (mét ook een aanpassing van de evaluatieprocedure (o.a. een versoepeling van de ontslagregeling)). Op de versnelde vaste benoeming kwamen er tijdens de vergadering overigens diverse kritische geluiden van onderwijscommissarissen, ook uit de meerderheid bij monde van Sihame El Kaouakibi. Voor een goed begrip, dat was nog maar een idee van de minister, waarvoor hij nog geen akkoord had van de sociale partners, maar tussen de datum van deze commissievergadering en 4 juni, waarop de behandeling van OD XXX in de Onderwijscommissie geagendeerd staat, zou er natuurlijk nog wel wat ondernomen kunnen worden… De minister verwees tijdens de vergadering trouwens naar een (toekomstig) amendement bij OD XXX, mét vermelding van de bonus van 26 miljoen euro die zo’n ingreep zou opleveren (lees: een factuur die aldus doorgestuurd zou worden naar het federale niveau).

Nog een woord hier over de zijinstromers. Het voorstel (max. 8 jaar anciënniteit in rekening brengen voor knelpuntvakken en knelpuntambten, alleen voor nieuwe personeelsleden) was, na de poging van toenmalig onderwijsminister Pascal Smet (Vlaamse regering, 14 april 2014), een nieuwe poging om onderwijs aantrekkelijker te maken voor zijinstromers. Minister Weyts ging uitvoerig in op de argumenten, op basis waarvan hij dacht tegemoet te komen aan de kritische opmerkingen die de Raad van State destijds gemaakt had ten aanzien van de voorgestelde regeling van Pascal Smet. Het bedrag van slechts 1,3 miljoen euro voor deze nieuwe poging werd wel erg laag bevonden in de vergadering.

En nog eens tussen haakjes: op de vragen naar een ‘structureler’ lerarenloopbaanpact, waarvoor 2,5 miljoen en 7,5 miljoen euro in de initiële begroting stond voor basisonderwijs resp. secundair onderwijs, ging minister Weyts niet in.

Dertien ten slotte. Nog diverse andere bedragen voor nog andere maatregelen passeerden in het gesprek. Zonder volledig te willen zijn denk ik aan: 870.000 euro (2 miljoen op jaarbasis) voor de gevalideerde, netoverschrijdende, genormeerde toetsen (bao én so), waarvoor nu een oproep zou worden uitgeschreven; 130.000 euro aan de VLHORA voor de instaptoets lerarenopleiding en 1,7 miljoen euro voor het stageplatform en nieuwe initiatieven in de lerarenopleiding; één projectoproepronde voor het “Dynamo”-project wordt overgeslagen.

Restte finaal dan nog de stemming over de decretale begrotingsdocumenten: het viel me op dat er nu alleen indicatief gestemd werd over het ontwerp van de uitgavenbegroting (9 voor, 3 tegen en 2 onthoudingen) en er geen stemming volgde over het ontwerp van programmadecreet. Het regeringsamendement over bijkomend 200.000 euro voor de HWBK-opleidingen, dat de Vlaamse regering pas definitief goedkeurde op 15 mei, zou daarvan de oorzaak kunnen zijn. Die stemming zou geagendeerd worden op 4 juni.

Je kunt, zoals steeds, de video van de integrale vergadering bekijken.

Reageren op dit commentaar kan bij wilfried.vanrompaey [at] katholiekonderwijs.vlaanderen (subject: Commissie%20Onderwijs%2014-05-2020%20%E2%80%93%20Begrotingscontrole%20en%20programmadecreet) (Wilfried Van Rompaey).