Commissie Onderwijs 05-03-2020 – Onderwijsdoelen in kleuteronderwijs

10 maart 2020

Al op 11/12 februari 2020 had Loes Vandromme hierover een interessante vrije tribune geschreven op de website van Knack. Ze verwees ook naar haar eerdere vraag om uitleg van 30 januari 2020, waarbij ze nu aanknoopte. Ze had één duidelijke vraag: “Kunnen we er samen met het onderwijsveld van uitgaan dat het hele kleuteronderwijs ook in de toekomst zijn specifiek onderwijstraject zal kunnen uitbouwen op basis van ontwikkelingsdoelen en er bijgevolg geen eindtermen zullen worden geïntroduceerd?”

Minister Weyts citeerde de in dit verband relevante passage uit zijn beleidsnota en vatte daarbij de stand van zaken én het doel daarvan heel kernachtig samen: de kwestie vormde nu “het voorwerp van een discussie die in alle discretie verloopt, maar die wel als doel heeft om te verhinderen dat kinderen met een taalachterstand naar het eerste leerjaar gaan.”

Vragensteller Vandromme beaamde dat kennis van het Nederlands en dus dat kwalitatieve taaltrajecten belangrijk waren, mét verwijzing naar de engagementsverklaring van  5 december 2019. Maar ze legde meteen ook de link naar een actueel belendend perceel: de taaltest als toegangspoort tot het eerste leerjaar lager onderwijs, waarover intussen meerdere afwijzende stemmen te horen waren. Zo ook van vragensteller Vandromme. Ze schoof meteen het alternatieve voorstel van haar fractie opnieuw naar voor: taalscreening aan het begin van de derde kleuterklas en indien nodig, daaropvolgend een continuüm van taaltrajecten, eventueel voortgezet in het lager onderwijs.

Interveniënt Jean-Jacques De Gucht lichtte eveneens het gekende standpunt van zijn fractie toe: de leerplichtleeftijd moest nog lager, maar wat het eigenlijke thema van Vandrommes vraag betrof, deelde hij helemaal haar mening, waarna hij nadien toch weer landde op zijn leerplichtleeftijdverlaging. Zijn accent op kleuterparticipatie, uiteraard niet alléén maar toch óók met het oog op PISA, deelde ik. Maar of de wettelijke leerplichtleeftijdverlaging daarvoor het meest geschikte instrument is, incl. bestraffing bij niet-naleving, betwijfel ik sterk.

Interveniënt Koen Daniëls betoogde dat de juridische benaming van wat beoogd werd (ontwikkelingsdoel of eindterm) niet belangrijk was. Wel belangrijk was om duidelijk iets te doen met de resultaten van zo’n test of screening in het belang van de leerlingen en de leraren.

Interveniënt Roosmarijn Beckers zorgde voor een humoristische noot door zich cheerleader te tonen voor interveniënt Daniëls en zijn partij, maar wees gelijk ook wel ernstig op een ander element, nl. de soms gebrekkige of zelfs totaal afwezige kennis van kinderen die later instromen in het lager onderwijs.

Ook minister Weyts was erg bezorgd over de achteruitgang van de kennis van het Nederlands in het lager onderwijs. Enkele dagen na de commissievergadering stuurde hij overigens nog een persbericht uit.

Vragensteller Vandromme concludeerde: “We hopen daar ook partners in te kunnen zijn, samen met de onderwijsverstrekkers. We willen die ook nog sterker maken in het uitwerken van het engagement dat ze zelf ondertekend hebben, en de nodige aandacht hebben om die taalintegratietrajecten zo goed mogelijk op te zetten.”   

Lees de bespreking van de “Vraag om uitleg over onderwijsdoelen in het kleuteronderwijs van Loes Vandromme” aan minister Ben Weyts.

Reageren op dit commentaar kan bij wilfried.vanrompaey [at] katholiekonderwijs.vlaanderen (subject: Commissie%20Onderwijs%2005-03-2020%20%E2%80%93%20Onderwijsdoelen%20in%20kleuteronderwijs) (Wilfried Van Rompaey).