Hoorzitting over kwaliteitsvol onderwijs met voldoende en sterke leerkrachten (1) (Commissie Onderwijs, 13 februari 2020): een korte impressie

18 februari 2020

Het parlementaire verslag zelf is nog in voorbereiding, maar hierbij alvast een korte, persoonlijke impressie. Je kunt uiteraard ook al de video van de integrale vergadering bekijken. Op het geplande aanvangsuur vreesde ik heel even voor een verrassend beschamende opkomst van de onderwijscommissarissen, maar die vrees bleek naderhand ongegrond. Oef!

Drie interessante uiteenzettingen van: Klaartje Volders (coördinator Partnerschappen, Teach for Belgium), van Piet Vervaecke (directeur, Onderwijscentrum Brussel) en van Charlotte Struyve (postdoctoraal onderzoeker, Onderzoekseenheid Onderwijskunde, Faculteit Psychologie en Pedagogische Wetenschappen KU Leuven).

Hieronder wijs ik kort en selectief op enkele zaken die me in de gesprekken opvielen.

Eén. Met de krachtlijnen van het verhaal over Teach for Belgium, -- ik geef het toe --, wist ik (nog) niet zo goed raad. Enerzijds vond ik die ideeën over zgn. sterke profielen van kandidaat-leraren en over de focus op zgn. gelijke onderwijskansen wel…sterk, ja, maar anderzijds stoorde mij daarbij gelijk het regelmatig terugkerende discours over de zgn. ándere kijk op leraren en het leraarschap, als zou die zó zou afwijken van wat ‘reguliere’ lerarenopleidingen van nu zouden voorstaan. Ondanks enkele geciteerde cijfers kreeg ik ook nog niet zo’n goed zicht op de echte resultaten van Teach for Belgium tot nog toe. In de context van een aanpak voor het lerarentekort viel het me op dat spreker Volders en een van de aanwezige TfB-tutoren beiden het reguliere onderwijs na enige tijd als leraar verlaten hadden. De TfB-deelnemer, die ook getuigde, was teleurgesteld over haar (reguliere) lerarenopleiding (als master) en had nu blijkbaar wél haar gading gevonden in de TfB-aanpak.

Twee. De vragenronde van de parlementsleden na die eerste presentatie bevatte aanvankelijk een hele waslijst aan vragen, ook over zaken die niet meteen daarin aan bod gekomen waren. Ik had begrip voor de procedurele kritiek (vragen beperkt en concreet houden, gelet op de beperkte timing) van Jan Laeremans, waarmee voorzitter Karolien Grosemans nadien wel rekening hield.  

Drie. De samenwerking tussen TfB en de lerarenopleidingen, zoals die terecht aan bod kwam in het gesprek, met name bij Loes Vandromme, bleek delicate materie. Vorig jaar had TfB vele en moeilijke gesprekken gevoerd met de lerarenopleidingen. Voorlopig was er vooral ad-hocsamenwerking in Antwerpen met de Universiteit Antwerpen en Karel de Grote Hogeschool.

Vier. Het verhaal van Piet Vervaecke over de Brusselse situatie was voor mij alleszins een stuk concreter en leek me ook beter aan te sluiten bij het hele opzet van deze hoorzittingenreeks, maar dat kan aan mij liggen. Zijn accent op luisteren naar leraren en met hen samenwerken sprak mij aan. De uitdaging voor Brussel is natuurlijk niet gering: stadsbekwame en voldoende leraren vinden. Lerarenopleidingen beperkten die stadscontext nog te veel als slechts “een kennismaking met”. Klaartje Volders sprak over dat punt helemaal aan het eind van de bespreking in termen van de klassieke aanpak in lerarenopleidingen versus echt inclusief denken. In de antwoordronde verwees Vervaecke naar ondersteuning op de werkvloer  en het (her)visitatierapport van de pedagogische begeleidingsdiensten: er leek mij precies wel een verschil in omkadering te bestaan tussen al die ondersteuning van leraren vanuit het OCB en die van de pedagogische begeleidingsdiensten. Koen Daniëls had het bij zijn vragen o.a. over “interne begeleiding” versus pedagogische begeleiding en verbond dat gelijk met die zgn. handelingsverlegenheid, waarover hij al eerder sprak met geluiden vanop de werkvloer (cf. “Dat mag niet meer.”). Toen de derde spreker, Charlotte Struyve, in haar antwoorden daarop terugkwam, sprak ze in termen van “niet durven”, maar volgens mij bedoelde Daniëls inderdaad “niet mogen”.  

Vijf. Superdiversiteit was voor Vervaecke een normaal stadsaspect, waarover Jan Laeremans enigszins anders dacht.

Zes. Charlotte Struyve bracht een interessante onderzoeksinvalshoek in de hoorzitting, met ook enkele concretere maatregelen. Ze zei dat bij de zgn. lerarenplatforms de piste om ervaren (i.p.v. beginnende) leraren vervangingen te laten doen nog te weinig bekend was. Zulks zou misschien een interessante betrachting kunnen zijn, zeker, maar in de praktijk…tja. Ze sprak voorts over de zgn. schoolopdracht, over masters in het basisonderwijs, over de problematische organisatie van het mentorschap voor beginnende leraren, over extra verloning in Brussel. Op de vraag van Arnout Coel (“Als we er niet of onvoldoende in slagen om genoeg nieuwe leraren aan te trekken, moet er dan niet gedacht worden aan andere vormen van lesgeven?”) antwoordde Struyve heel wijs: dat ze wel voorstander was van het inzetten van technologie maar dat zulks gelijk niet betekende dat er minder leraren nodig zouden zijn. Ik kreeg ineens verre maar nog heldere herinneringen aan de opkomst van het zgn. begeleid zelfstandig werk in het Vlaamse hoger onderwijs begin van de jaren ’90 van vorige eeuw…

Op 20 februari volgt hoorzitting (2) over dit thema.

Reageren op dit commentaar kan bij wilfried.vanrompaey [at] katholiekonderwijs.vlaanderen (subject: Hoorzitting%20over%20kwaliteitsvol%20onderwijs%20met%20voldoende%20en%20sterke%20leerkrachten%20-%2013%20februari%202020) (Wilfried Van Rompaey).