Commissie Onderwijs 05-10-2017 – Lerarenopleiding en toelatingsproef

11 oktober 2017

Eind augustus kwamen er mediaberichten over dalende inschrijvingscijfers voor de lerarenopleidingen aan de hogescholen en een mogelijk verband met de “verplichte, niet-bindende toelatingsproef”. Dat was het uitgangspunt voor de onderwijscommissarissen Ann Brusseel en Koen Daniëls voor een hele reeks pertinente vragen (inzake diverse cijfers, normering, verklaringen van resultaten en mogelijke aanpassingen aan de proef)  over de ervaringen met die toelatingsproef, die nu voor het eerst voorafgaand aan de inschrijving werd afgenomen.

Minister Crevits vatte nog eens kernachtig de rationale achter de proef samen. Vervolgens lichtte ze toe welke cijfers al wel en nog niet beschikbaar waren. Van de 9.160 kandidaten die zich voor deelname aan de proef geregistreerd hadden, waren er 8.277 die de proef volledig hadden afgelegd: 1.819 voor het kleuteronderwijs, 2.966 voor het lager onderwijs en 3.492 voor het secundair onderwijs. 
De minister overliep ook de inhoud van de proef en de aanpak voor de analyse van de resultaten (in 2016 en in 2017) en verwees opnieuw heel terecht naar de validering van de proef. Concreet: er moet nagegaan worden wat de relatie is tussen de resultaten op de proef en de studieresultaten later in de opleiding van diezelfde studenten en dat natuurlijk het best gespreid over meerdere academiejaren.
Tussendoor verwees de minister opnieuw naar het hangende decretale proces (cf. ook de vraag van Tine Soens over flexibilisering in dezelfde commissievergadering), dat deelname aan niet-bindende toelatingsproeven verplicht zou maken  en waardoor ook automatische mededeling van de resultaten aan de hogeschool waar men zich nadien inschrijft, zou volgen.

De minister gaf een heel gedetailleerde uitleg bij de hele aanpak van de proef (feedbackcategorieën, cesuur, diverse onderdelen) en herhaalde nogmaals de kernvraag: “Heeft die proef al dan niet een gunstig effect op de kwantiteit en vooral ook op de kwaliteit van de uitstroom van de studenten in de lerarenopleiding?” Ze eindigde met een voorzichtige verklaring van de voorlopige resultaten op de proef.

In de tweede ronde volgt dan vaak een aanzienlijke hoeveelheid herhaling en dat was nu niet anders. Het punt van vragensteller Brusseel over net de mondelinge taalvaardigheid in Frans was wel pertinent alsook haar conclusie daaruit om misschien Frans gewoon als een optie te overwegen naast andere opties in de lerarenopleiding lager onderwijs.  
Vragensteller Daniëls ging vooral door op de kwestie van de gebruikte norm als een relatief i.p.v. een absoluut gegeven, zoals hij dat ook bij eerdere gelegenheden had gedaan inzake de cesuur die te zeer bepaald was op de huidige en niet op de gewenste studenten (zijn toelichting was aanvankelijk wel verwarrend door het gebruik van de term ‘basiscompetenties’, die inzake lerarenopleidingen wel een andere betekenis heeft dan hij op dat moment bedoelde). Daarnaast wees hij op de zwakke scores op wiskunde in de proef voor lerarenopleiding lager onderwijs (de inhoud daar is geënt op eindtermen wiskunde lager onderwijs), maar het verband dat hij aanvankelijk legde met het “regentaat” was wel verwarrend.
Interveniënt Jan Durnez juichte de hele aanpak met deze proef en gedane en nog toekomstige analyses toe. Hij voegde voor West-Vlaanderen nog een factor toe met een impact op inschrijvingscijfers, nl. de situatie op de arbeidsmarkt ter zake. Interveniënt Elisabeth Meuleman benadrukte dan weer het lerarentekort, nu en in de toekomst, en bijgevolg de noodzaak om een plan te hebben om het lerarenberoep aantrekkelijker te maken. Daarmee kwam ze meteen (en terecht) op de hangende hervorming van de lerarenopleiding, die zij en passant als onvoldoende beoordeelde, en impliciet ook op het lerarenloopbaandebat. Interveniënt Jos De Meyer ten slotte herhaalde kort het punt van het tijdsperspectief voor een grondige analyse en evaluatie.

Minister Crevits repliceerde met duidelijke uitspraken over het verschil tussen basiscompetenties en startcompetenties, over de geïntegreerde opdracht van onderwijzer, over de educatieve master in de hangende decretale tekst, over de rol van de overheid inzake de inhoud van de lerarenopleidingen, over de werkzekerheid van de jonge leraar, over de West-Vlaamse arbeidsmarktsituatie. Ten slotte stelde de minister voor om de bij de proef betrokken mensen van de Vlhora in het voorjaar in de Onderwijscommissie uit te nodigen.

In haar slottussenkomst sprak Ann Brusseel over de kwestie van de doorstroom van aso’ers naar de lerarenopleidingen van hogescholen. Heel begrijpelijk, maar ik vrees ervoor…en haar verwijzing in diezelfde redenering naar de zgn. doorbreking van de vlakke loopbaan, wat dat dan ook precies moge zijn: idem dito. Wel terecht dan weer waren haar uitspraken over de relatie tussen startcompetenties en basiscompetenties, hoewel ook dat geenszins exacte wetenschap is. Over haar bijkomende nuancering rond al of niet vakleraren in het lager onderwijs valt te discussiëren, maar het blijft een delicate zaak. Koen Daniëls  ten slotte herhaalde een aantal juiste zaken, zijn punt over het lageronderwijsniveau van wiskunde in de proef voor de aspirant-studenten lerarenopleiding secundair onderwijs leek mij niet relevant wegens gewoon geen onderdeel van die proef, zoals de minister aan het begin had uitgelegd, zijn punt over het huidige financieringsmechanisme inzake lerarenopleidingen was wél relevant, maar zijn uitspraak over sommige jonge leraren die geen werk vinden, laat ik toch maar voor zijn rekening. 

Lees de bespreking van de “Vraag om uitleg over de instaptoets lerarenopleiding van Ann Brusseel en over de daling van het aantal studenten in de lerarenopleiding en de resultaten van de toelatingsproef van Koen Daniëls” aan minister Hilde Crevits. 

Reageren op dit commentaar kan bij wilfried.vanrompaey [at] katholiekonderwijs.vlaanderen (subject: Commissie%20Onderwijs%2005-10-2017%20%E2%80%93%20Lerarenopleiding%20en%20toelatingsproef) (Wilfried Van Rompaey).