Hoorzitting over de werking en de toekomstige uitdagingen van de pedagogische begeleidingsdiensten: een bondig commentaar (Commissie Onderwijs, 30 maart 2017)

20 april 2017

Wat voorafging. Op 28 april 2016 stonden deze twee punten op de agenda van de Commissie Onderwijs: een vraag om uitleg over een tussentijdse stand van zaken van de Inspectie 2.0 en het Referentiekader voor Onderwijskwaliteit (ROK) van Ingeborg De Meulemeester  en een gedachtewisseling over de Onderwijsspiegel 2016 (jaarlijks rapport van de onderwijsinspectie). Het was met name bij die bespreking dat onderwijscommissaris Jo De Ro het volgende zei: 

“Jullie presenteren jaarlijks een Onderwijsspiegel. Hoe sterker die boodschappen worden, hoe meer ik de andere kant van de spiegel wel eens wil zien. In vroegere tijden konden jullie zeggen: dit loopt niet goed en doe dat. Sinds 1991 mag dat niet meer. Ik zou het een heel sterk signaal vinden mochten de pedagogische begeleidingsdiensten met deze boodschappen samen aan tafel gaan zitten, de aanbevelingen opnemen en ons hier het antwoord presenteren vanuit dat stuk door de overheid gefinancierde ondersteuning van leerkrachten. Die boodschap krijg ik steeds luider. Ik neem zelf ook verantwoordelijkheid binnen een koepel waar men dat ook zegt. Ik hoor van leerkrachten steeds luider dat ze weten wat er in dat soort rapporten staat en dat ze dat voelen, maar dat ze op bepaalde terreinen gas geven zonder vooruit te geraken. Ze willen ondersteuning. Ik zou graag eens horen wat de pedagogische begeleidingsdiensten doen met dit rapport. Ik wil wel alle lof geven aan de mensen die dit rapport tot stand hebben doen komen.”

Die oproep van De Ro leidde nu tot de gedachtewisseling met de directeurs/verantwoordelijken van vier netgebonden pedagogische begeleidingsdiensten:  Saskia Lieveyns (Gemeenschapsonderwijs), Machteld Verhelst (Katholiek Onderwijs Vlaanderen), Marieke Van Nieuwenhuyze (Provinciaal onderwijs Vlaanderen) en Geertrui De Ruytter (OVSG). Het werd een omstandig gesprek, dat tot kort na 13.00u in beslag nam. 
In het eerste deel namen de vertegenwoordigers van de pedagogische begeleidingsdiensten ruim de tijd om hun werking concreet voor te stellen. Terecht, want wie wil oordelen, moet degelijk geïnformeerd worden. Na een algemene inleiding over de pedagogische begeleidingsdiensten heen, met verwijzing naar de decretale opdrachten en naar de interne kwaliteitscontrole en het externe kwaliteitstoezicht, ging elke verantwoordelijke dieper in op de eigen werking, met telkens ook een verwijzing naar concrete casussen. Hoewel elke spreker de netgebonden werking benadrukte, leek Machteld Verhelst mij explicieter dan de anderen het vormingsconcept van het katholiek onderwijs toe te lichten, waarop per definitie de begeleidingsacties van de pedagogische begeleiders worden geënt. Zoals dat concept cruciaal is voor het onderwijs in katholieke scholen, is dat even cruciaal voor de begeleiding van de leraren en scholen die zo’n onderwijs willen organiseren.

Dan was het de beurt aan de onderwijscommissarissen en hun vragen/opmerkingen waren talrijk. Voor het volledige overzicht verwijs ik graag naar het officiële verslag dat weldra op de website van het Vlaams Parlement zal verschijnen en ik beperk me hier tot slechts enkele, weliswaar cruciale zaken.

Niet onverwacht gebruikten nogal wat onderwijscommissarissen het evaluatierapport van de commissie-Monard om hun vragen te stofferen.
Eén. Een heikel punt blijft het inzetten van x-aantal pedagogische begeleiders voor welke taken: uit de antwoorden viel te leren dat er zeker al deels terecht gevolg gegeven is aan aanbevelingen ter zake van de commissie-Monard (en daarover zal zeker gerapporteerd worden in het kader van de hervisitatie van de begeleidingsdiensten volgend schooljaar), maar ook dat men met name op het stuk van leerplannen en andere beleidstaken de expertise van pedagogische begeleiders niet zomaar rigide buiten dat belangrijke werk kan houden. Zij houden toch de vinger aan de pols van het werkveld en op die manier worden ervaringen uit de praktijk benut.

Twee. Een ander belangrijk thema is de samenwerking tussen pedagogische begeleidingsdiensten onderling en met de onderwijsinspectie. Uit het gesprek bleek heel duidelijk dat de afschaffing van het Samenwerkingsverband Netgebonden Pedagogische Begeleidingsdiensten  de samenwerking tussen de pedagogische begeleidingsdiensten zeker niet afgeschaft heeft, maar dat men nu meer vanuit de eigen sterktes de handen in elkaar slaat. Enkele voorbeelden maakten duidelijk dat er op dat vlak heel wat gebeurt. De gezamenlijke creatie van het zgn. Referentiekader voor Onderwijskwaliteit (ROK) door de onderwijsinspectie en de pedagogische begeleidingsdiensten was evenzeer een belangrijk accent inzake samenwerking. Die aanpak zou ook worden doorgetrokken in het nieuwe Toezichtskader (TOK) van de onderwijsinspectie.

Conclusie: dit was een belangrijk en constructief gesprek tussen politiek en pedagogische begeleidingsdiensten, dat ook in de toekomst een plaats mag hebben in de verdere werking van die diensten en van deze parlementaire commissie.

Reageren op dit commentaar kan bij wilfried.vanrompaey [at] katholiekonderwijs.vlaanderen (subject: HZ%20over%20pedagogische%20begeleidingsdiensten%20-%20Commissie%20Onderwijs%2C%2030%20maart%202017) (Wilfried Van Rompaey).