Plenaire vergadering 13-02-2019 – Gebruik van middelen voor ondersteuning van leerlingen met specifieke onderwijsbehoeften

14 februari 2019

De actualiteitswaarde van deze vraag ontging mij aanvankelijk. Ze deed me wel denken aan tussenkomsten  van onderwijscommissaris Koen Daniëls op 7 februari 2019 in de Commissie voor Onderwijs, zowel bij een vraag om uitleg van zijn partijgenote Vera Celis als bij de bespreking van het ontwerpdecreet i.v.m. enkele maatregelen uit onderwijscao XI, maar daarover lees je wel iets elders op deze pagina’s.  Pas bij het antwoord van minister Crevits zag ik waarover het precies ging, toen ze verwees naar de Vlaamse regering van “vorige week”. Bij nader toezien, bedoelde ze nog een week daarvoor, want het ontwerp van Onderwijsdecreet XXIX in kwestie, werd goedgekeurd op 1 februari en niet op 8 februari, maar dat is een detail.

Kon de minister garanderen dat de extra financiële middelen in dezen net daarvoor aangewend zouden worden waarvoor ze bedoeld waren (ondersteuning van bepaalde leerlingen) en wel door personen met de nodige expertise, vroeg onderwijscommissaris Daniëls.

Minister Crevits lichtte de nieuwe financiële regeling toe m.b.t. de zgn. “kleine types” in het buitengewoon onderwijs, zoals die in het ontwerp van OD XXIX op komst was: er zou een persoonsvolgende (en extra) financiering komen op dat stuk, met middelen die enigszins flexibel ingezet zouden kunnen worden, in een open-endsysteem, met ook duidelijke betrokkenheid van de ouders (samen met de school) bij de keuze van welke school voor buitengewoon onderwijs begeleiding zou aanbieden aan de leerling in kwestie. Eigenlijk een verder vervolg op de maatregelen die in april 2018 genomen waren voor de bijsturing van het M-decreet.

Vragensteller Daniëls juichte dat allemaal toe, maar vreesde dat het organiseren in dit verband van een zorgloket “in een bepaald net” (en voor dat net) een afroming van middelen zou zijn. Hij vroeg hoe je als ouder er dan nog zeker  van  kon zijn dat er een expertiseonderzoek gebeurde van een school uit een ander net vlakbij, dat wel degelijk veel expertise had opgebouwd. De minister antwoordde dat een zorgloket nooit in de plaats kon treden van de school voor buitengewoon onderwijs. Ouders en de school voor gewoon onderwijs zouden samen kiezen voor welke ondersteuning gepast was.

Er waren ook nog enkele interveniënten. Onderwijscommissaris Jamila Lachkar vond een geruststelling voor de vraag van Daniëls in de memorie van toelichting van het ontwerp van OD XXIX. Onderwijscommissaris Elisabeth Meuleman was blij dat een vragensteller uit de meerderheid nog eens de pijnpunten in dit dossier blootgelegd had (te weinig ondersteuning). En onderwijscommissaris Jo De Ro prees ook de flexibele inzet van de middelen, maar wees erop dat enige schaal daarbij vereist was, met dus voldoende samenwerking tussen onderwijsnetten.

Afsluitend herhaalden minister en vragensteller nogmaals hun belangrijkste punten.

Lees de bespreking van de “Actuele vraag over het gebruik van de middelen bedoeld voor de ondersteuning van leerlingen met specifieke onderwijsbehoeften van Koen Daniëls aan minister Hilde Crevits.

Reageren kan bij wilfried.vanrompaey [at] katholiekonderwijs.vlaanderen (subject: Plenaire%20vergadering%2013-02-2019%20%E2%80%93%20Gebruik%20van%20middelen%20voor%20ondersteuning%20van%20leerlingen%20met%20specifieke%20onderwijsbehoeften) (Wilfried Van Rompaey)

.