Education at a glance 2018: Vlaams onderwijs niet excellent in gelijke onderwijskansen

13 september 2018

Begin deze week verscheen de editie 2018 van Education at a glance. De OESO beschrijft daarin trends die zij vaststelt in een groot aantal aangesloten en geassocieerde landen, op basis van tal van parameters. De editie 2018 staat voor een groot deel in het teken van equity, gelijke kansen, billijkheid in onderwijs. De cijfers worden er voor België gegeven, wat soms toch twee verschillende realiteiten verhult. In de bij het OESO-rapport toegevoegde landenbrochure over België nuanceert de OESO de data voor de twee onderwijsgemeenschappen wel enigszins.

België scoort op nogal wat parameters matig, in lijn met de landen waarmee we ons graag vergelijken, of net iets minder goed: het aantrekken van leraren – en in het bijzonder mannelijke leraren - blijft een enorme uitdaging, de impact van de socio-economische thuissituatie op de oriëntering en resultaten van leerlingen blijkt en blijft onrustwekkend hoog, we nemen te weinig deel aan levenslang leren, te weinig jongeren kiezen voor STEM-opleidingen in hoger onderwijs ...

Voor sommige parameters scoren we beter: we hebben kleinere klassen, we geven per leerling meer uit aan onderwijs dan andere landen, onze jongeren nemen meer deel aan hoger onderwijs, onze lerarenweddes zijn beduidend hoger dan in vele andere landen ...

Verrast zijn we niet echt door de cijfergegevens in Education at a glance 2018. Ze zijn precies de reden waarom we de modernisering van het secundair onderwijs zo nodig vinden, waarom het onze ambitie is om leerlingen op het juiste moment op de juiste plaats te krijgen. Een paar punten springen desalnietteminin het oog. We noemen er een drietal.

1.  Kleuterparticipatie

In België gaan kleuters héél vaak naar school. De percentages voor beide gemeenschappen zijn bij de hoogste van de OESO-landen. Plaatst dat de hele discussie over de verlaging van de leerplichtleeftijd niet in een héél ander perspectief? Wat zal die verlaging opleveren? Ze zal in ieder geval veel geld kosten dat we beter anders kunnen inzetten. Hoe dan wel?

Twee suggesties:

  • Breng de werkingsmiddelen voor het kleuteronderwijs op het niveau van het lager onderwijs.
  • Ondersteun en begeleid die gezinnen die hun kleuters nog niet naar school laten gaan, gericht.

​2.  Neets

Neet is een letterwoord en staat voor not in employment, education or training. Het blijkt dat 11 procent van de jongeren tussen 15 en 29 die hier geboren zijn, niet naar school gaan, niet werken, niet gevat worden door onderwijs of VDAB. Dat is net onder het OESO-gemiddelde maar in absolute aantallen gaat het om dramatisch veel jongens en meisjes. Uiteraard gaat het hier voor een flink deel om de niet-gekwalificeerde uitstromers uit de school. Ondanks jarenlange maatregelen rond gelijke-onderwijskansen blijft het cijfer hoog. Door hun leerlingenpopulatie worden sommige scholen er sterker door geraakt dan andere.

Hier ligt, vanuit ons opvoedingsproject, een zeer belangrijke zorg en een werkterrein voor de scholen en schoolbesturen. Hier hebben de scholen bewegingsvrijheid, middelen, bondgenoten nodig voor schooleigen beleid. Dat is allerminst een vraag om weer meer regels van bovenaf, integendeel. Modernisering van het secundair onderwijs gaat vooral daarover: over een schoolcultuur die iedere leerling motiveert, vormt, in vorm brengt, die geen leerling laat uitvallen maar hen goed oriënteert, hen boeit en zo snel mogelijk op een opwaarts traject zet.

3.  Zittenblijven

Het OESO-rapport geeft aan dat België nog steeds heel veel zittenblijvers telt (de Franse gemeenschap nog meer dan de Vlaamse). Terzelfder tijd voeren bij ons de overheid en andere instanties ontradingsmaatregelen tegen zittenblijven: bv. dat wie een B-attest krijgt, zijn jaar niet mag overzitten, m.a.w. niet de vrijheid heeft te handelen alsof hij of zij een C-attest ontving. Zittenblijven verminderen kan door de lat lager te leggen. Maar dat is geenszins de oplossing. Vergelijk het met de zorg voor de latere neets: wacht de school hier niet een taak om via positieve oriëntering en ondersteuning op maat perspectief te bieden aan jongens en meisjes? Dat veronderstelt dat schoolteams over de middelen beschikken, expertise, mankracht, een netwerk van organisaties die kunnen helpen, om met de motivatie- en leerproblemen van potentiële zittenblijvers om te gaan. Nu scholen ook werken aan schooleigen kwaliteitsbeleid, nu de inspectie toeziet vanuit een gedeeld kader, het ROK, liggen hier regiekansen voor schoolteams.

Immers, leerlingen verschillen van mekaar. Leeruitkomsten zullen dus ook van mekaar verschillen. Dat is nogal logisch. Maar hoe gaan we als school om met verschillen tussen leerlingen? Is dat niet de vraag naar welke leerlingenbegeleiding geschikt is, naar gelijke onderwijskansen en respect voor iedere individuele leerling, naar positieve oriëntering in haar zuiverste vorm? Hoe creëren we voor ieder van hen optimale, ambitieuze en genereuze leerkansen? Zijn we gaandeweg niet ‘uitgeprobeerd’ met de traditionele beleidsinitiatieven? Misschien is het wel tijd om de problematiek op een nieuwe en creatieve manier te laten aanpakken en de schoolteams zelf een veel zwaardere stem in het kapittel te geven. Krijgen scholen daarvoor ruimte, groeikans, gespecialiseerde personeelsleden en middelen om daar creatief en wijs mee om te gaan? Krijgt de school de volle regie terug? Mag zij zo meewerken aan een ambitieuze en solidaire samenleving, aan cohesie en veerkracht?

En jawel hoor, daar mag op toegezien worden … daar hebben we niets op tegen.

Lees het volledig verslag van de OESO.

Reageren op dit commentaar kan bij geert.schelstraete [at] katholiekonderwijs.vlaanderen.