Commissie Onderwijs 04-10-2018 – Gebrekkige lees- en schrijfvaardigheid van Vlaamse studenten

09 oktober 2018

Lag het aan de nakende gemeenteraadsverkiezingen? Aan de verkeersdrukte in de Wetstraat en belendende percelen? Aan de aard van de geagendeerde vragen? Ik weet het niet. Feit was dat bij de aanvang van de vergadering 4 onderwijscommissarissen aanwezig waren en in het eerste uur druppelden nadien nog 3 onderwijscommissarissen binnen. Op een regulier aantal van 15… En wat de vragen betrof: best wel boeiend, hoewel sommige ook wel een storm in een glas water betroffen en/of eigenlijk niet dienden ter controle van beleid van de minister, waarvoor zulke vragen in wezen bedoeld zijn. Maar soit, het was de eerste vergadering van het laatste werkjaar van deze legislatuur, wat het altijd wat bijzonder maakt, zeker nu er pal aan het begin van dat werkjaar nog eens gemeenteraadsverkiezingen bovenop komen.

De vraag van onderwijscommissaris Paul Cordy ging terug op mediaberichten van een aantal weken voordien, hoewel ze gelijk ook aansloot op de actuele vraag over het zgn. marshallplan voor het taalonderwijs van onderwijscommissaris Jo De Ro tijdens de plenaire vergadering de dag voordien. Wat dacht minister Crevits van die taalvaardigheid van Vlaamse studenten en wat ging ze daaraan doen? Vragensteller Cordy bracht een en ander ook in verband met de eerdere problematische PIRLS-resultaten (begrijpend lezen van leerlingen in het vierde leerjaar van het lager onderwijs), die de aanleiding hadden gevormd voor een zgn. Taalraad Begrijpend Lezen (Nederland-Vlaanderen).

De minister begon, zoals wel meer, met een wijze vaststelling, die hierop neerkwam: men moet toch een beetje opletten, wanneer men over zulke fenomenen als die taalvaardigheid in comparatieve (“vroeger” versus nu, dus) termen spreekt. Zulk onderzoek over studenten hoger onderwijs bestond niet. Er was wel PIAAC (Programme for the International Assessment of Adult Competencies, 2012) en in 2022 zou Vlaanderen daaraan opnieuw deelnemen, zodat daar wel een vergelijking gemaakt zou kunnen worden, maar dat ging over volwassenen tout court. Oké. Voor basis- en secundair onderwijs sprak de minister voorts over de Vlaamse peilingstoetsen en de internationale toetsen PIRLS en PISA. Inderdaad, interessant materiaal, maar toch ook telkens met de nodige voorzichtigheid te behandelen. De minister wees daar op een interessant punt: de studenten van nu waren net diegenen die destijds deelgenomen hadden aan PIRLS 2006 en PISA 2012, toen hun resultaten totaal niet onrustwekkend bleken te zijn… Ze keek ook vooruit: de deelnemers aan PIRLS 2016 (met slechte scores) zouden de deelnemers zijn van PISA 2021. De diverse taalmaatregelen van deze Vlaamse regering, die de minister gedetailleerd oplijstte, zouden dan eventueel hun effect kunnen tonen. Het hele taaldossier was voor de minister een gedeelde verantwoordelijkheid van basis-/secundair én hoger onderwijs. Terecht!

De rest van het gesprek leverde in feite geen bijkomende elementen op: vragensteller Cordy legde wel al de link met een taalvraag die nog moest volgen, maar daarover lees je elders op deze pagina’s. Uiteraard kan er geen twijfel over bestaan: zoals kennis en vaardigheid in schooltaal essentieel zijn voor schoolsucces, zo zijn kennis en vaardigheid in academisch taalgebruik dat voor succes in het hoger onderwijs. Maar dat impliceert wel dat beide onderwijsniveaus daarin dan ook expliciet onderwijs geven…

Lees de bespreking van de “Vraag om uitleg over de gebrekkige lees- en schrijfvaardigheid van de Vlaamse studenten van Paul Cordy” aan minister Hilde Crevits.

Reageren op dit commentaar kan bij wilfried.vanrompaey [at] katholiekonderwijs.vlaanderen (subject: Commissie%20Onderwijs%2004-10-2018%20%E2%80%93%20Gebrekkige%20lees-%20en%20schrijfvaardigheid%20van%20Vlaamse%20studenten) (Wilfried Van Rompaey).