Gedachtewisseling over het rapport 'Evaluatie van de pedagogische begeleidingsdiensten en de permanente ondersteuningscellen' (Commissie Onderwijs, 4 april 2019)

08 april 2019

De onderwijscommissarissen lieten er geen gras over groeien: nog maar pas op 27 maart waren erover actuele vragen gesteld in de plenaire vergadering, gevolgd door verwante actuele vragen over de onderwijskwaliteit op 3 april, of de dag nadien werd al een gedachtewisseling over het zgn. hervisitatierapport van de pedagogische begeleiding en de permanente ondersteuningscellen (POC’s) georganiseerd in de Commissie voor Onderwijs. Nog net op de valreep voor de huidige samenstelling van deze Commissie tot het verleden zou behoren. Die timing zat alvast goed. Onmiddellijk na de presentatie van het rapport op 27 maart was er al een reactie vanuit Katholiek Onderwijs Vlaanderen, incl. een gezamenlijke reactie van de verschillende pedagogische begeleidingsdiensten. Voor de eigenlijke inhoud van de zaak kunnen die documenten wel volstaan. Maar een gedachtewisseling in een politiek samengesteld orgaan als de Onderwijscommissie is nog iets anders.

Vooraf was er nog even tijd voor een attente Koen Daniëls, die respectievelijk zijn collega’s Jos De Meyer, Jan Durnez en Tine Soens uitwuifde wegens hun vertrek uit de actieve Vlaamse politiek of hun kandidaatstelling voor een ander dan het Vlaamse politieke echelon. Geen mosterd nu, maar wel pralines. Ook politici blijven mensen en eigenlijk vind ik dat best een geruststelling.

Algemeen gesproken (overigens net zoals bij de gedachtewisseling over de Onderwijsspiegel 2019 van de Onderwijsinspectie, die diezelfde namiddag nog zou volgen, hoewel ik daarover toch ook wel enkele kanttekeningen wil maken), was het voor mij alvast een verademing om de wijze toon te horen van spreker Georges Monard (geflankeerd door de secretaris van diens commissie Ann Dejaeghere) tegen al dat ongenuanceerd, negatief mediageweld van een aantal journalisten en politici dezer dagen. Er waren er gelukkig ook al andere.

Hieronder wijs ik graag op (voor mij) enkele accenten uit de gedachtewisseling zelf.

Eén. Netoverschrijdende en andere samenwerking. Vanuit meerdere hoeken werd aangedrongen op meer samenwerking tussen de diverse pedagogische begeleidingsdiensten onderling (soms zelfs als een voorwaarde om zo’n activiteit gefinancierd te krijgen door de overheid), maar ook bv. op een zgn. structurele samenwerking tussen pedagogische begeleiding en lerarenopleidingen. Het gesprek daarover was en is toch niet echt eenvoudig, vind ik. Enerzijds bestaan er zeker al allerlei vormen van zulke samenwerking, wat heel goed is (trouwens óók met vele lerarenopleiders in het veld, zonder per se allerlei grootse structuren), maar anderzijds viel mij toch weer het gemak op waarmee sommigen netoverschrijdende samenwerking opvatten als dé weg. Weer hoorde ik uitspraken over de aanpak van gemeenschappelijke thema’s en problemen die toch losstaan van de persoonlijke levensbeschouwelijke identiteit van de betrokken leerders, waarmee niet voor het eerst de eigenheid van een pedagogisch project verward werd met zulke identiteit van een leerder. De overeenkomst tussen die twee verschillende zaken mag er dan (en ja, die was er toen) geweest zijn in een bepaald verleden. Die is er nu allang niet meer, maar dat doet niets af van de relevantie van verschillende pedagogische projecten in Vlaanderen anno 2019. Ook spreker Monard vond vrijheid van onderwijs een kostbaar goed en raadde de onderwijskoepels aan die te koesteren, waarmee hij bedoelde: ze niet zomaar voortdurend in te roepen om bepaalde vernieuwingen tegen te gaan en dus alleen bij echt belangrijke aangelegenheden. Maar, dacht ik dan, is dat onderscheid tussen belangrijk en niet belangrijk dan zo eenduidig, zeker als men oprecht systematisch probeert de eigenheid van zijn pedagogisch project expliciet te tonen in alle leer-, onderwijs- én bestuursactiviteiten in een concrete school? Een pedagogisch project is nu eenmaal (en trouwens ook allanger dan vandaag) een zaak van veel meer dan bv. van alleen een levensbeschouwelijk vak gedurende een beperkte leertijd per week. Het laatste woord lijkt mij daarover nog niet te zijn gezegd.  

Twee. Professionalisering. Enerzijds moesten de pedagogisch begeleiders experten zijn (met name ook in datageletterdheid), de allerbesten, waarbij ook de piste bewandeld werd van deeltijdse begeleiders die ook nog deeltijds leraar waren. De rekrutering van die mensen was dus cruciaal, alsook hun eigen verplichte professionalisering nadien, waarvoor het best bepaalde periodes van een schooljaar gebruikt konden worden die wegens hun aard niet geschikt waren voor reële schoolbezoeken. Ook kreeg de praktijk waarbij een school en een pedagogisch begeleider een erg problematische relatie hadden nogal wat aandacht, want op die manier moest een school soms gedurende langere tijd pedagogische begeleiding missen.

Anderzijds was de pedagogische begeleiding belangrijk voor de professionalisering van de leraren en directeurs: geen beperkte nascholingssessies meer, maar langdurige en intensieve (men moet dus tijd en ruimte daarvoor krijgen) begeleidingstrajecten met groepen leraren, directeurs, … Er werd daarbij terloops ook verwezen naar de Schotlandreis van de onderwijscommissarissen en de leer- en feedbackcultuur tussen leraren daar. Maar om dat succesvol te laten verlopen moesten de activiteiten van pedagogisch begeleiders wel direct aansluiten bij de noden van die leraren en directeurs, zo werd betoogd, wat me bij een derde punt brengt.

Drie. Vraag- en/of aanbodgestuurd? Terwijl enerzijds gesuggereerd werd dat nu pedagogisch begeleiders te veel aanbodgestuurd zouden werken, benadrukte spreker Monard heel uitdrukkelijk de noodzaak van een evenwicht tussen beide. Hij bedoelde dat scholen die nu misschien zelf weinig vragen stelden en dus weinig of geen beroep deden op de pedagogische begeleiding, maar het beter wél deden, best geconfronteerd mochten worden met een meer proactieve houding vanwege de pedagogische begeleiding, bv. bij de invoering van allerlei innovaties vanuit de overheid, waarbij de pedagogische begeleidingsdiensten dan zelf flexibel moesten kunnen omgaan met hun eigen prioriteiten. Dat leek me niet echt makkelijk en brengt me bij een laatste klemtoon.

Vier. Er werd terecht gewezen op het probleem van talrijke onderwijsvernieuwingen vanuit de overheid in de voorbije periode, die dan met een beperkt aantal pedagogisch begeleiders voor hoge aantallen leraren aangepakt moesten worden. Er werd echt wel hard gewerkt door die pedagogisch begeleiders op het terrein. Ik moest er nog aan denken, toen ik een dag later een vrije tribune over de kwaliteit van het onderwijsdebat las van Leuvense pedagogen. In de loop van het gesprek viel zelfs de volgens mij prima politieke suggestie om tijdens het eerste werkjaar van de volgende legislatuur i.p.v. enorm hoge aantallen vragen om uitleg te stellen en per se nieuwe decreten te willen aan de slag te gaan met de diverse rapporten die er nu intussen voorlagen… Ik ben echt benieuwd.

Je kunt de video [vanaf 01:17:30] van het integrale gesprek bekijken op de website van het Vlaams Parlement.

Reageren op dit commentaar kan bij wilfried.vanrompaey [at] katholiekonderwijs.vlaanderen (subject: Gedachtewisseling%20Hervisitatierapport%20-%204%20april%202019) (Wilfried Van Rompaey)

.