FAQ

Scholen treden toe tot het ondersteuningsnetwerk van hun werkingsgebied. Alle partners zijn gelijkwaardig (co-creatie) en buitengewoon onderwijs heeft de regierol. Katholiek Onderwijs Vlaanderen legt dus niet op tot welk ondersteuningsnetwerk een school moet toetreden in die zin dat wij onze scholen niet toewijzen aan een ondersteuningsnetwerk.
In alle regio’s worden gesprekken over de ondersteuningsnetwerken gecoördineerd door de regionale pedagogische begeleidingsdiensten om te komen tot werkingsgebieden met samenwerkingsverbanden (4 geledingen). De directies bubao, buso, bao en so, CLB en PB’s zijn hierbij betrokken. 

Scholen, CLB en PB verbinden zich contractueel aan een samenwerkingsverband en er wordt een beheerscomité opgericht. Katholiek Onderwijs Vlaanderen biedt een model van samenwerkingsovereenkomst.

Het ondersteuningsnetwerk zal instaan voor de ondersteuning van leraren en leerlingen.

Het beheerscomité bestuurt het ondersteuningsnetwerk. Het maakt afspraken over:

  • de aanwending van de door de paritaire commissie toegekende omkaderingsenveloppe; zij kent de omkadering toe aan de onderliggende buo-scholen
  • de inzet van de competentiebegeleider of een andere partner van het ondersteuningsnetwerk
  • de organisatie van het zorgloket
  • hoe het tegemoet komt aan de ondersteuningsvragen van ouders
  • de samenwerking met:
    • scholen van andere netten
    • ondersteuningsnetwerken van andere netten
    • andere zorgverstrekkers, zoals multifunctionele centra (MFC’s), centra voor ambulante revalidatie (CAR) …

Co-creatie (versterkte samenwerking tussen de partners) en gelijkwaardigheid zijn essentieel om op korte termijn te kunnen starten. Het beheerscomité zal een kader creëren om het ondersteuningsnetwerk goed te kunnen organiseren. In de opstartfase nemen de regiodirecteurs, ’niveaucoördinatoren (buitengewoon) basis –en secundair onderwijs en begeleiders competentieontwikkeling een initiatief tot vorming van de beheerscomités.

De oefening i.v.m. de werkingsgebieden wordt gemaakt in de regio’s. Het is een voorlopige oefening die moet goedgekeurd worden door de schoolbesturen. I.c. worden in elke regio de werkingsgebieden aangeduid op kaartjes in stippellijnen. Het gaat dus over voorlopige grenzen die enkel gelden voor het schooljaar 2017-2018. Daarnaast willen we erop wijzen dat deze grenzen geen samenwerking mogen belemmeren met scholen uit andere werkingsgebieden. Mogelijke wijzigingen aan de samenstellingen van de werkingsgebieden voor het schooljaar 2018-2019 worden ten laatste op 1 februari 2018 gemeld aan de betrokken beheerscomités.

Ja, maar we voorzien de mogelijkheid tot samenwerking met scholen van andere netten. We willen de bestaande samenwerkingsvormen tussen de scholen van verschillende netten honoreren en waar mogelijk verder uitdiepen. De samenwerking kan drie vormen aannemen:

  • Scholen van een ander net kunnen aansluiten bij een ondersteuningsnetwerk of specifieke ondersteuning vragen
  • Scholen van het eigen net kunnen, indien ze dit wensen, opteren voor ondersteuning door een ondersteuningsnetwerk van een ander net
  • Samenwerking tussen ondersteuningsnetwerken van verschillende netten: we verkennen actief de mogelijkheid of en hoe samenwerking tussen ondersteuningsnetwerken van verschillende netten de internettensamenwerking kan versterken

Inzake expertise is de lerarenopleiding zeker een interessante partner. Er wordt een interne werkgroep lerarenopleiding en professionalisering opgestart binnen Katholiek Onderwijs Vlaanderen om na te denken over de gevolgen van het ondersteuningsmodel voor de professionalisering van leraren.

Op lange termijn zien we de werkingsgebieden landen in (een samenwerking tussen) BOS’sen. Daarnaast heeft Katholiek Onderwijs Vlaanderen een nota gepubliceerd over de operationalisering van de ondersteuningsnetwerken. Ook de regio’s verspreiden hierover aanvullende informatie.

Elke school van het buitengewoon en gewoon onderwijs, ongeacht of er nu GON-leerlingen ingeschreven zijn of niet, zal toetreden tot het ondersteuningsnetwerk dat opereert in het werkingsgebied waarin de school gelegen is.

In de Ministeriële omzendbrief NO 2017/02 van 16 juni 2017  maakt men voor de ondersteuning van type 7-leerlingen het volgende onderscheid:

  • de ondersteuning voor de doelgroep ‘auditieve beperking’ binnen type 7 komt niet vanuit de ondersteuningsnetwerken, maar rechtstreeks van de type 7-school
  • de ondersteuning voor de doelgroep taal- spraakstoornis  komt vanuit het ondersteuningsnetwerk

​Omdat de expertise over taal- spraakstoornissen op dit moment vooral in de type 7-scholen aanwezig is, pleiten Katholiek Onderwijs Vlaanderen en VCLB ervoor om de aanmeldingen voor deze doelgroep voor het schooljaar 2017-2018 vanuit het ondersteuningsnetwerk meteen door te geven aan de betrokken type 7- scholen en werk te maken van expertiseverhoging binnen de ondersteuningsnetwerken.

De ondersteuningsbehoeften van kinderen met taal- spraakstoornissen (ontwikkelingsdysfasie, kinderafasie…) zijn heel divers. In het ondersteuningsnetwerk bekijkt men casus per casus in overleg met alle partijen (leerling, ouders, school en CLB) of het om een eerder mildere dan wel ernstigere problematiek gaat en welke expertise dan vereist is. Voor sommige leerlingen volstaat ondersteuning vanuit scholen type basisaanbod met expertise rond taal-spraakstoornissen.

Voor de concrete ondersteuning in het hoger onderwijs werd een budget van 4 miljoen euro vrijgemaakt waarmee een eigen ondersteuningsmodel, los van de werkwijze van GON in het verleden of de uitwerking van het ondersteuningsmodel in het basisonderwijs en secundair onderwijs, vorm gegeven kan worden. Het equivalent van de omkadering die vroeger, in het kader van GON, via personeelsleden buitengewoon onderwijs naar het hoger onderwijs ging (jaarlijks ca. 2.000 begeleidingseenheden) werd omgezet in middelen (4 miljoen euro). Dat budget wordt voortaan rechtstreeks ingezet in het hoger onderwijs (zowel in hogescholen als in universiteiten).

Het budget van 4 miljoen euro wordt verdeeld tussen de universiteiten en de hogescholen, respectievelijk voor 30% en 70%, gebaseerd op de huidige spreiding van studenten met een functiebeperking zoals die in aanmerking komen voor de extra weging in het kader van de bepaling van de werkingsmiddelen van de instellingen hoger onderwijs.

De middelen voor het hoger onderwijs zijn bedoeld als aanvullend op het zorgbeleid ten aanzien van studenten met functiebeperkingen dat zowel hogescholen als universiteiten momenteel al voeren, hierin begeleid door het Steunpunt Inclusief Hoger Onderwijs (SIHO).

Indien een student bij de overstap van secundair naar hoger onderwijs of in de loop van zijn studieperiode in het hoger onderwijs van ondersteuning gebruik wenst te maken, neemt hij/zij contact op met het aanspreekpunt zorg van de instelling die te vinden is op de website van het Steunpunt Inclusief Hoger Onderwijs (SIHO).

Elke school beschikt, in samenwerking met leerling/ouders en CLB, over het eigenaarschap van haar leerlingenbegeleiding. Voor de uitbouw van de brede basiszorg en de verhoogde zorg heeft ze volledig zelf de regie in handen. Ze zet autonoom alle stappen die nodig zijn voor een effectieve leerlingenbegeleiding.

Indien een school voor een concrete casus ondersteuning van buitenaf nodig heeft, dan deelt ze dit mee aan het ‘zorgloket’, dat verbonden is aan het ondersteuningsnetwerk waartoe de school behoort. Dit zorgloket wordt bemand door de vier partners: gewoon en buitengewoon onderwijs, CLB en pedagogische begeleiding. Zowel scholen voor gewoon als buitengewoon onderwijs kunnen er een vraag tot ondersteuning stellen. Het zorgloket bespreekt en analyseert de verschillende vragen uitgaande van het feit of er al een HGD-traject gelopen is of niet:

  • In de meeste gevallen zal de vraag de uitkomst zijn van een handelingsgericht traject dat het CLB samen met de school en de ouders reeds gelopen heeft. Het CLB heeft daarin samen met de school en de ouders onderzocht welke bijkomende inzet van middelen, hulp of expertise, hetzij ten aanzien van de school of de leerling, al dan niet in zijn context, wenselijk is alsook de omvang en de duur daarvan. Het zorgloket zal dan in overeenstemming met de uitkomst van het HGD-traject beslissen of er effectief ondersteuning zal worden ingezet vanuit het ondersteuningsnetwerk en, zo ja, welke specifieke ondersteuner voor welk volume en tijdsduur voor deze ondersteuning in zal staan.
  • Daar waar de vraag niet de uitkomst is van een HGD-traject zal het zorgloket de nodige stappen zetten om de vraag verder te analyseren en er een gepast antwoord op te formuleren. Mogelijk ziet het bv. nog een oplossing in de versterking van de brede basiszorg en de verhoogde zorg (fasen 0 en 1 van het zorgcontinuüm) door de pedagogische begeleiding; in het andere geval zal het CLB vragen om, samen met leerling/ouders en school, een handelingsgericht diagnostisch traject op te starten. Dit HGD-traject kan resulteren in:
    • zorgfase 2 (uitbreiding van zorg), d.w.z. dat het doorlopen HGD-traject al dan niet uitmondt in een gemotiveerd verslag (GV). In het geval van een GV is er recht op ondersteuning; in andere gevallen kan tegemoet worden gekomen aan een vastgestelde nood aan ondersteuning;
       
    • zorgfase 3 (IAC), d.w.z. dat leerling recht heeft op een individueel aangepast curriculum (inschrijvingsverslag of verslag)

In overeenkomst met de uitkomst van het HGD-traject beslist het zorgloket vervolgens of en hoe er ondersteuning wordt geboden (zie eerste ● van deze vraag).

Ook hier zullen op niveau van het ondersteuningsnetwerk afspraken gemaakt worden.
Contractueel zullen we vastleggen wie tot welk ondersteuningsnetwerk behoort. Er zullen 4 partners (contractanten) zijn: gewoon onderwijs, buitengewoon onderwijs, CLB en pedagogische begeleiding. Een “beheerscomité” van zo’n ondersteuningsnetwerken zal instaan voor de dagelijkse leiding en principes vastleggen (hoe omgaan met vragen van ouders, met zorgvragen van scholen, met de aanwending van de omkaderingsmiddelen …). Katholiek Onderwijs Vlaanderen zal een model van contract opmaken (zoals indertijd ook gebeurd is bij de totstandkoming scholengemeenschappen).

De buo-scholen met types 2, 4, 6 en 7 (auditieve beperking) genereren hun middelen op dezelfde manier als vandaag. D.w.z. op basis van de telling van leerlingen met een gemotiveerd verslag of een verslag. De teldatum is wel verschoven van 1 oktober, naar 1 februari. 

Indien scholen gewoon en buo in een bepaalde regio bij elkaar op bezoek gaan en expertise uitwisselen, moet dit mogelijk blijven.

Het ondersteuningsnetwerk werkt vraaggestuurd. Het doel is tegemoet te komen aan de noden van leerlingen met specifieke onderwijsbehoeften en aan de ondersteuningsbehoeften van hun leerkrachten. De ondersteuning zal steeds op maat zijn, flexibel, zo lang als nodig en niet langer dan nodig.

Op maat: afhankelijk van de nood van de leerling, de school en de ouders zal in overleg gekozen worden voor leerkracht- en/of leerlinggerichte ondersteuning. We beogen steeds een maximaal effect op de klasvloer.

Flexibel: de overheid bepaalt niet vooraf hoeveel uren ondersteuning zullen worden ingezet, hoeveel weken, hoeveel schooljaren de ondersteuning zal duren en wanneer ze zal starten en eindigen. Ondersteuning kan op verschillende momenten in het schooljaar worden aangevraagd (de teldatum van 1 oktober verdwijnt!), kan worden onderbroken en later opnieuw worden opgestart. Een ondersteuningsvraag kan op elk moment in het schooljaar gesteld worden. Het ondersteuningsnetwerk engageert zich om voor iedere leerling zo snel mogelijk een gepast aanbod voor ondersteuning te voorzien.

In het kader van de heropstart in hetzelfde schooljaar volstaat een melding. Een ondersteuningsvraag kan op elk moment in het schooljaar gesteld worden. Het ondersteuningsnetwerk engageert zich om voor iedere leerling zo snel mogelijk een gepast aanbod voor ondersteuning te voorzien.

Zo lang als nodig en niet langer dan nodig: eens de ondersteuning is opgestart, zal regelmatig overlegd worden om te bekijken of verdere ondersteuning nodig blijft. 

In overleg met het ondersteuningsnetwerk wordt de ondersteuningsvraag van elke GON/ION-leerling die nog recht heeft op en nood heeft aan ondersteuning, bekeken. Ook voor die leerlingen beslist het zorgloket of er effectief ondersteuning wordt ingezet en, zo ja, welke specifieke ondersteuner voor welk volume en welke tijdsduur van die ondersteuning instaat.

Voor de leerlingen met type 2, 4, 6 en 7 (auditief) blijven de huidige scholen voor buitengewoon onderwijs netoverschrijdend ondersteuning bieden zoals voorheen. Deze ondersteuning zal net voor de andere leerling die in aanmerking komen voor ondersteuning steeds op maat zijn, flexibel, zo lang als nodig en niet langer dan nodig.

Voor deze types moeten er geen aparte ondersteuningsnetwerken gemeld worden. Uiteraard kunnen scholen die een van deze types samen met het type basisaanbod, type 3, type 9 of type 7 (spraak- of taalstoornis) aanbieden, wel deel uitmaken van een ondersteuningsnetwerk”.. (NO/2017/01, 2 juni 2017, Samenstelling ondersteuningsnetwerken in het basis- en secundair onderwijs voor het schooljaar 2017-2018, punt 2, laatste alinea.)

Voor deze types worden er geen aparte ondersteuningsnetwerken gevormd, maar de scholen kunnen tot een regionaal ondersteuningsnetwerk toetreden. 

De buo-scholen met types 2, 4, 6 en 7 (auditieve beperking)vormen dus geen aparte ondersteuningsnetwerken, maar kunnen wel tot één van de regionale ondersteuningsnetwerken toetreden. Met buo-scholen met types 2,4, 6 en 7 verwijzen we naar kinderen met een auditieve beperking die, op basis van een audiologisch onderzoek door een neus-, keel- en oorarts, beantwoorden aan een van de onderstaande criteria:

  1. volgens de Fletcher-index een gemiddeld gehoorverlies hebben voor de frequenties 500, 1000 en 2000 Hz van 40 dB of meer voor het beste oor zonder correctie
  2. als de Flletcher-index minder dan 40 dB bedraagt: een foneemscore van 80% of minder hebben bij de spraakaudiometrie met woorden met een medeklinker–klinker–medeklinker-samenstelling bij 70 dB geluidsterkte
  3. een door een neus-, keel- en oorarts geobjectiveerde auditieve problematiek hebben die niet terug te brengen is tot criterium 1. of 2., maar met een duidelijke impact op schoolse activiteiten en naar leerlingen vanaf 6 jaar met een spraak- of taalstoornis zonder een verstandelijke beperking, waarvoor, op basis van een multidisciplinair onderzoek door een erkend gespecialiseerd team met minstens een logopedist, audioloog en neus-, keel- en oorarts, een diagnose ontwikkelingsdysfasie of kinderafasie is vastgesteld.

We onderscheiden hiertoe de aanbod- en de vraagzijde van expertise.

a. Aanbodzijde: deze buo-scholen genereren hun middelen op dezelfde manier als vandaag. Als aanbieders van expertise vormen ze een Vlaanderenbreed ‘2467 netwerk’ waarbinnen ze hun handicapspecifieke expertise behouden en verder ontwikkelen. Op het niveau van dit netwerk maakt men afspraken (verder te specifiëren per type) over welke van deze buo-scholen de verschillende ondersteuningsnetwerken bedienen, en hoe deze specifieke ondersteuning verder toekomstgericht kan worden uitgebouwd.

b. Vraagzijde: tegelijk kunnen deze scholen ook vrager van zorg zijn. Daartoe worden ze lid van het ondersteuningsnetwerk dat actief is in het werkingsgebied waarin ze zich bevinden. Zoals ander scholen stellen ze hun zorgvragen aan het zorgloket.

Let wel: in het geval deze buo-scholen enkel expertise bieden aan één van de ondersteuningsnetwerken of als ze ook andere types dan de types 2, 4, 6 en 7 (auditief) bedienen, kunnen ze volwaardig tot één ondersteuningsnetwerk behoren. 

 

Voor de types 2, 4, 6 en 7 auditief kunnen leerlingen die op 1 september 2017 beschikken over een gemotiveerd verslag of verslag type 2-4-6-7, rechtstreeks aangemeld worden bij de BuO-scholen van de betrokken types. Die scholen hebben de middelen ontvangen om die leerlingen te begeleiden. Katholiek Onderwijs Vlaanderen pleit voor continuïteit in hun begeleiding.

Concreet wil dat zeggen dat voor het schooljaar 2017-2018 de betrokken leerlingen begeleid worden door de scholen van buitengewoon onderwijs die nu al samenwerken met onze scholen van gewoon onderwijs en dat ongeacht het onderwijsnet waartoe de scholen behoren.

Voor de begeleiding van leerlingen type 1-8-3-9-7 (STOS)- type basisaanbod pleit Katholiek Onderwijs Vlaanderen tijdens het schooljaar 2017-2018 eveneens voor continuïteit waar mogelijk. De betrokken leerlingen worden aangemeld bij het zorgloket van het ondersteuningsnetwerk. Van daaruit kunnen dan afspraken worden gemaakt met het ondersteuningsnetwerk waar de school die tot nu toe instond voor de GON-begeleiding, toe behoort (en dat ongeacht het onderwijsnet). Via overdracht van middelen kan de lopende ondersteuning worden gecontinueerd. Wat de ondersteuningsnetwerken van het vrij onderwijs betreft, monitoren de zorgloketten al die vragen met het oog op een optimalisering van de werking in de daaropvolgende jaren.            

De middelen voor samenwerking tussen scholen voor gewoon en buitengewoon onderwijs (type 2, 4, 6 of 7 auditieve beperking) worden gegenereerd door:

  • leerlingen met een gemotiveerd verslag of een verslag type 2, 4, 6 of 7 auditieve beperking, die voldoen aan de criteria van die types zoals gedefinieerd in artikel 10 van het decreet basisonderwijs of artikel 259 van de codex secundair onderwijs;
  • leerlingen met een inschrijvingsverslag type 2, 4, 6 of 7 auditieve beperking, waarover ze beschikken omdat ze vallen onder de overgangsmaatregel in het M-decreet (toepassing van artikel 16, §2 van het decreet basisonderwijs of artikel 352, §2 van de codex secundair onderwijs). Dit zijn de leerlingen die in het schooljaar 2014-2015 GON-leerling waren op basis van een inschrijvingsverslag buitengewoon onderwijs, voor wie het principe geldt dat er geen herattestering moet gebeuren wanneer zijn of haar situatie niet wijzigt. Wanneer voor een dergelijke leerling het onderwijsniveau of het type wijzigt, moet er wel een gemotiveerd verslag of verslag worden opgemaakt.

Bij de opmaak van een gemotiveerd verslag of verslag is het niet langer vereist om de aard van de integratie en de ernst van de handicap aan te geven. De ondersteuningsnoden van de leerling worden wel opgenomen in het gemotiveerd verslag of verslag. De formulering matig-ernstig wordt nog meegenomen in de generieke verhoudingsgewijze berekening van de omkadering maar wordt niet langer per individuele leerling vastgelegd. Het aantal leerlingen met een (gemotiveerd) verslag wordt geteld.

De middelen voor ondersteuning worden toegekend aan de scholen voor buitengewoon onderwijs. Ze blijven uitgedrukt in begeleidingseenheden. Begeleidingseenheden kunnen naargelang de aard van de ondersteuning die nodig is, omgezet worden in lestijden, lesuren en uren. Deze lestijden, lesuren en uren, worden voor scholen buitengewoon basisonderwijs beschouwd als extra lestijden en extra uren en voor scholen buitengewoon secundair onderwijs als extra lesuren en uren.

Ze zijn bedoeld om ondersteuningsvragen vanuit scholen voor gewoon onderwijs voor leerlingen die voldoen aan de criteria zoals in punt 2.1.2 beschreven, te beantwoorden. Elke ondersteuningsvraag van een gewone school omtrent begeleiding van een leerling die voldoet aan de vereisten zoals in 2.1.2 opgesomd, moet worden opgenomen. Dit geldt ook voor ondersteuningsvragen die worden gesteld in de loop van het schooljaar.

De overheid bepaalt niet langer een vast aantal uren begeleiding per week per leerling. Scholen voor gewoon en buitengewoon onderwijs krijgen meer flexibiliteit om de beschikbare middelen in te zetten op basis van de ondersteuningsnood die er is. Voor de leerlingen type 2, 4, 6 en 7 (auditieve beperking) blijft leerlinggebonden financiering bestaan, maar deze wordt flexibeler aangewend. Het zijn de scholen voor buitengewoon onderwijs die hier het best geplaatst zijn vanuit hun handicap specifieke expertise om in samenspraak met gewone scholen, ouders en het CLB te kijken hoe en in welke mate ondersteuning wordt geboden. Die ondersteuning kan leerling-, leerkracht- of teamgericht zijn. Belangrijk is dat de ondersteuning voelbaar is tot op de klasvloer. Op die manier kan er meer op maat ondersteund worden, steeds binnen het totaalpakket aan middelen dat voorhanden is. Er wordt ook afgestapt van de eerste schooldag van oktober van het lopende schooljaar als teldag om in aanmerking te komen voor ondersteuning. Ondersteuning kan ook doorheen het schooljaar worden opgestart.

Die middelen zitten mee in het totale pakket.

Het garantiefonds, bedoeld om het verlies aan omkadering op niveau van onderwijsnet te compenseren, wordt bekomen door het 70/30 verdelingsmechanisme toe te passen op het totale budget voor ondersteuning (exclusief type 2, 4, 6 en 7 auditieve beperking) per net, en dit per schooljaar te vergelijken met de som van de lestijden, lesuren en uren van waarborg en begeleidingseenheden GON in het schooljaar 2016-2017 per net (exclusief type 2, 4, 6 en 7 auditieve beperking). De compensatie gebeurt dan naar rato van het globale verlies van een of meerdere netten door het aandeel van de scholen van het (de) stijgende net(ten) procentueel te verminderen en het aandeel van de scholen van het (de) dalende onderwijsnet(ten) procentueel te vermeerderen.

De middelen die het dalende onderwijsnet op die wijze ontvangt, vallen onder de regie van dat onderwijsnet om de verliezen in het buitengewoon onderwijs te compenseren zodat er geen verlies is aan tewerkstelling en ondersteuning die vandaag bestaat. Deze middelen worden tijdens de transitieperiode ingezet voor de verdere ondersteuning van scholen en centra in het gewoon onderwijs van de onderwijsnetten.

Voor de leerlingen type 7- STOS die dit jaar door type 7-scholen begeleid werden, pleiten we voor het behoud van enige continuïteit. I.c. wil dit zeggen dat voor het schooljaar 2017-2018 dat deze leerlingen, indien ze nog nood hebben aan ondersteuning, door de type 7-scholen verder ondersteund worden. De type 7-scholen hebben hiervoor rechtstreeks de middelen gekregen.

Wat de aanmeldingen van nieuwe leerlingen met een taal-spraakstoornis voor het schooljaar 2017-2018 betreft: deze worden aangemeld via de zorgloketten van de regionale ON. De ON geven deze leerlingen onmiddellijk door aan de type 7-school die op basis van de telling van 1 oktober 2016 over de middelen beschikt. Indien de aanmeldingen vanuit het ON bij de type 7-scholen deze middelen overstijgen, dan zal in co-creatie bekeken worden welke leerlingen begeleid kunnen worden door het ON en welke door de type 7-scholen. Hierdoor zal ook de expertise binnen het ON inzake taal-spraakstoornissen verhoogd worden. 

 Tenslotte willen we de expertise i.v.m. de aanpak van taal-spraakstoornissen opgebouwd binnen de scholen type basisaanbod  ook wel honoreren.

De elektronische zending is afgeschaft. Het departement van onderwijs en vorming raadt aan om intern een nominatieve lijst bij te houden van de zogenaamde GON-leerlingen type 4-6-7 in functie van de teldatum 1 februari 2018. Voor de andere types hoeft dit niet, volgens het departement. 

De engagementsverklaring MOET NIET opgemaakt worden bij wijziging van partners, bij leerlingen met verslag of oud inschrijvingsverslag. Dit was een 'aanbeveling' in het verleden, geen 'verplichting'. Op dit moment lijkt het aangewezen om alle administratie te beperken tot het strikt noodzakelijke. 

Bij opmaak van een nieuw gemotiveerd verslag was dit wel een verplichting ( BVR gemotiveerd verslag ).  In de loop van dit schooljaar zal dit BVR worden aangepast alsook de sjablonen en bijgevolg ook de schrijfwijzers voor de CLB.

In afwachting van de definitieve wijzigingen, is er afgesproken dat de ondersteuningsnetwerken niet te veel energie moeten stoppen in administratieve zaken als deze. Het niet aanwezig zijn van de handtekeningen of de engagementsverklaring voor leerlingen die voor het eerst een nieuw gemotiveerd verslag krijgen, zal geen consequenties hebben. Uiteraard blijft betrekken van en afstemmen met ouders en leerlingen in het hele traject belangrijk. Op welke manier het engagement van alle betrokken al of niet geformaliseerd moet worden in de toekomst is voorwerp zijn van bespreking op de externe stuurgroep.

In functie van verificatie hoeft de school van buitengewoon onderwijs niets meer bij te houden.

Voor de bepaling van de omkadering zal de overheid zich op bestaande gegevens uit de GON-zendingen en Discimus en op de gegevens in Creon baseren. Scholen voor buitengewoon onderwijs hoeven de overheid geen gegevens meer te bezorgen. De GON-zending wordt bijgevolg afgeschaft. De verificatie zal dus ook niet meer langsgaan voor controle van gegevens in het kader van de ondersteuningsnetwerken.

Hoe en op welke manier scholen gegevens bijhouden over de leerlingen die ze begeleiden behoort dus tot hun eigen verantwoordelijkheid. Vanuit de overheid legt men hier geen regels voor op.

De scholen van gewoon onderwijs bewaren het GV of V in het leerlingendossier. Dit mag ook een kopie zijn.

Oude inschrijvingsverslagen BuO blijven bewaard in de scholen van BuO. Een kopie kan gevraagd worden via het CLB.

Leerlingen met gedrags- en emotionele problemen (type 3) waarbij CLB na afronding van een HGD-traject oordeelt dat er nood is aan ondersteuning vanuit buitengewoon onderwijs kunnen ondersteund worden.  De leerlingen die in aanmerking komen voor ondersteuning zijn de volgende:

  • leerlingen met een verslag type 3
  • leerlingen met een gemotiveerd verslag type 3
  • leerlingen zonder gemotiveerd verslag / verslag die aan onderstaande voorwaarden voldoen

Wanneer men twijfelt, dient men contact op te nemen met CLB om te vragen of CLB de aanmelding voor de betrokken leerling ook ondersteunt. Bij de eerste twee groepen is of volgt er een GV of V, voor de derde groep worden de onderwijsbehoeften aangeleverd in overleg of via andere vormen van verslaggeving.

Voor deze doelgroep werden op niveau van de stuurgroep ondersteuningsmodel van het kabinet en de CLB’s volgende afspraken gemaakt:

  • Het HGD-traject werd reeds opgestart in de loop van het schooljaar 16-17.Fase 1 van de school werd kwaliteitsvol doorlopen en fase 2 HGD-traject is terug te vinden in LARS.
  • De leerling heeft onderwijsbehoeften die de expertise buitengewoon onderwijs vereist, bovenop sticordi maatregelen.
  • Advies en onderwijsbehoeften leerling/ ondersteuningsbehoeften leerkracht zijn geformuleerd binnen het multidisciplinair teamoverleg van het CLB.
  • De verplichte koppeling met een kinderpsychiatrisch onderzoek wordt losgelaten. De CLB’s wijzen er wel op dat binnen een HGD-traject het vaak wel zinvol blijft om externe diagnostiek in te schakelen voor deze doelgroep, maar in kader van het inzetten van ondersteuning wordt de afspraak gemaakt dat dit geen noodzakelijke voorwaardemeer is.
  • Voor leerlingen in het gewoon onderwijs die een HGD traject hebben doorlopen en voldoen aan criteria ‘opmaak gemotiveerd verslag’ waarvan ouders geen gemotiveerd verslag willen, maar die een duidelijke nood aan ondersteuning hebben, kan de school leerkrachtgerichte ondersteuning inzetten.

Scholen voor gewoon onderwijs met leerlingen met een verslag type basisaanbod die een IAC volgen, kunnen ondersteuning vragen binnen het ondersteuningsnetwerk waartoe ze behoren wanneer er een ondersteuningsnood is, ook zonder dat de leerlingen eerst onmiddellijk voorafgaand 9 maanden buitengewoon basis- of secundair onderwijs hebben gevolgd. De voorwaarde van 9 maanden wordt alleen vermeld in het kader van de opmaak van een gemotiveerd verslag. De bepaling in het artikel over het inschrijvingsrecht dat leerlingen met een verslag op dezelfde wijze in aanmerking komen voor ondersteuning in het kader van GON zoals leerlingen met een gemotiveerd verslag is door de andere wijze van ondersteuning via ondersteuningsnetwerken uitgehold geworden. De aard en intensiteit van de ondersteuning wordt in onderling overleg met alle betrokkenen verder bepaald.

Voor leerlingen met een gemotiveerd verslag type basisaanbod blijft de voorwaarde van “minstens 9 maanden in buitengewoon onderwijs onmiddellijk voorafgaand aan”, behouden. Wanneer een leerling start in het gewoon onderwijs na een periode van minstens 9 maanden buitengewoon onderwijs, en de leerling voldoet aan de voorwaarden voor de opmaak van een gemotiveerd verslag, kan de school bij de start of in de loop van het eerste schooljaar ondersteuning vragen in het kader van het ondersteuningsnetwerk. De aard en intensiteit van de ondersteuning wordt in onderling overleg met alle betrokkenen verder bepaald.

Dit antwoord komt uit de FAQ die als bijlage is toegevoegd aan de Ministeriële omzendbrief van 16 juni 2017  betreffende “Het ondersteuningsmodel in het basis- en secundair onderwijs en in het hoger onderwijs”

Deze leerlingen komen in de meeste gevallen niet in aanmerking voor een verslag type basisaanbod en komen bijgevolg ook niet in aanmerking voor aanmelding bij de ondersteuningsnetwerken.

De opening die de omzendbrief ondersteuningsmodel laat om voor leerlingen met een verslag type basisaanbod ondersteuning aan te vragen, is bedoeld voor leerlingen die een individueel aangepast curriculum volgen in basis of secundair onderwijs. In secundair onderwijs gaat het om leerlingen die jaarlijks een getuigschrift van verworven competenties dienen te krijgen en in principe niet in aanmerking komen voor de reguliere certificering. In basisonderwijs gaat het om leerlingen waarbij geoordeeld wordt dat het beoogde vervolgonderwijs (1B of 1A) wellicht niet meer haalbaar is.

De ondersteuners zijn geaffecteerd aan een school voor buitengewoon onderwijs in het ondersteuningsnetwerk. De ondersteuners blijven m.a.w. verbonden aan hun school voor buitengewoon onderwijs.

Het ondersteuningsnetwerk kan zelf geen personeelsleden tewerkstellen omdat het een feitelijke vereniging is.

De competentiebegeleiders blijven gekoppeld aan de Pedagogische Begeleidingsdienst als werkgever.

Alle ondersteuners vallen onder dezelfde prestatieregeling. Hun schoolopdracht bedraagt 26 klokuren en de hoofdopdracht 22 lestijden/lesuren van 50 minuten. De tijd voor professionalisering, overleg en samenwerking en coördinatietaken zijn net zoals de dienstverplaatsingen vervat in de schoolopdracht.

Oudercontacten en personeelsvergaderingen vallen buiten de 26 klokuren van de schoolopdracht. Deze opdrachten vallen niet noodzakelijk binnen de periode van normale aanwezigheid van de leerlingen.
De prestaties van de personeelsleden die deeltijds aangesteld zijn, worden pro rata aangepast.

Zowel vastbenoemde als tijdelijke personeelsleden uit het buitengewoon en het gewoon onderwijs krijgen de kans om als ondersteuner te werken in het ondersteuningsnetwerk. De eerste drie schooljaren (vanaf 1 september 2017) wordt het nieuwe ondersteuningsmodel beschouwd als een project. De ondersteuners worden aangesteld in een tijdelijke betrekkingen die ingericht worden in de scholen van het buitengewoon onderwijs van de ondersteuningsnetwerken. Personeelsleden kunnen bewust kandideren voor een functie van ondersteuner. De ondersteuner kan ingezet worden voor zowel leerling-, leerkracht- als teamgerichte ondersteuning in de scholen van het gewoon onderwijs in het ondersteuningsnetwerk.

De bubao-scholen die in 2016-2017 gon-begeleiding voorzien, ontvangen begeleidingseenheden die omgezet kunnen worden in lestijden en uren. De buso-scholen die in 2016-2017 gon-begeleiding voorzien, ontvangen begeleidingseenheden die omgezet kunnen worden in lesuren en uren.

Vanuit de middelen van de waarborgregeling en vanuit het extra budget ontvangen de scholen buitengewoon onderwijs lestijden, -uren en/of uren. Deze lestijden, -uren en/of uren worden toegekend aan de buo-scholen vanuit het ondersteuningsnetwerk.

Met deze lestijden, -uren en uren kunnen betrekkingen opgericht worden in een ambt van het onderwijzend personeel of in een ambt van het paramedisch, medisch, sociaal, psychologisch en orthopedagogisch personeel.

Ambten in het bubao:

  • Onderwijzend personeel: kleuteronderwijzer ASV, onderwijzer ASV, leermeester ASV: LO, leermeester godsdienst en leermeester ASV: compensatietechniek Braille in type 6
  • Paramedisch personeel: logopedist, kinesitherapeut, ergotherapeut, kinderverzorger en verpleger
  • Medisch personeel: arts
  • Sociaal personeel: maatschappelijk werker
  • Psychologisch personeel: psycholoog
  • Orthopedagogisch personeel: orthopedagoog

Ambten in het buso:

  • Onderwijzend personeel: leraar ASV, leraar BGV, godsdienstleraar, leraar ASV LO, leraar ASV compensatietechniek Braille en leraar secundair onderwijs (AV, TV en PV – in OV4)
  • Paramedisch personeel: logopedist, kinesitherapeut, ergotherapeut, kinderverzorger, verpleger
  • Medisch personeel: arts
  • Sociaal personeel: maatschappelijk werker
  • Psychologisch personeel: psycholoog
  • Orthopedagogisch personeel: orthopedagoog

Het schoolbestuur maakt de keuze voor welbepaalde ambten. Deze keuze geldt voor de duur van een volledig schooljaar en kan in de loop van het schooljaar niet gewijzigd worden.

De administratieve noemer van het ambt waarin het personeelslid aangesteld wordt, blijft van toepassing. De noemer van het ambt bepaalt hoeveel begeleidingseenheden er uit het pakket aangewend moeten worden.

Enkele voorbeelden:

  • Een orthopedagoog wordt voltijds aangesteld voor 40/40 (40 begeleidingseenheden uit het pakket).
  • Een onderwijzer ASV wordt voltijds aangesteld voor 22/22 (22 begeleidingseenheden uit het pakket).
  • Een leraar secundair onderwijs AV in OV4 wordt voltijds aangesteld voor 20/20 (20 begeleidingseenheden uit het pakket).
  • Een kinesitherapeut wordt voltijds aangesteld voor 32/32 (32 begeleidingseenheden uit het pakket).

In het buso is de regeling waarbij bijkomende uren gegenereerd worden door bepaalde personeelsleden nog steeds van toepassing. Het gaat hier over bijkomende uren klassenraad en bijscholing/begeleiding.

Voorbeeld:

Een personeelslid wordt in het ambt van leraar ASV in het BuSO aangesteld als ondersteuner. De hoofdopdracht bedraagt 22 lesuren en de schoolopdracht 26 klokuren.

Dit personeelslid kan door zijn/haar aanstelling 2 uur klassenraad genereren. In dat geval moeten er slechts 20 eenheden uit het lesurenpakket genomen worden voor het betreffende personeelslid.

Er kan bijkomend nog 1 uur bijscholing/begeleiding worden gegenereerd. In dat geval moeten er slechts 19 eenheden uit het lesurenpakket genomen worden.

De eerste drie schooljaren is een vaste benoeming in de functie van ondersteuner in het ondersteuningsnetwerk niet mogelijk. Alle betrekkingen zijn tijdelijk. Deze betrekkingen komen dus niet in aanmerking voor vacant verklaring, vaste benoeming, affectatie of mutatie.

Neen. Een personeelslid met TADD kan een opdracht als ondersteuner niet opeisen. Het voorrangsrecht als TADD’er geldt niet bij een aanstelling in het ondersteuningsnetwerk als ondersteuner. Het schoolbestuur kan kiezen voor een personeelslid dat vastbenoemd is, dat TADD heeft verworven of voor een tijdelijk personeelslid.

Je bouwt als ondersteuner rechten op in het ambt waarin de betrekking is ingericht (kleuteronderwijzer ASV, leraar ASV, kinesitherapeut …). Zo bouw je o.a. dienstanciënniteit en geldelijke anciënniteit verder op. De dienst- en ambtsanciënniteit telt mee om TADD te verwerven. Je kan dus in de functie van ondersteuner TADD verwerven in het ambt. In het ambt kan je dan eventueel je TADD-recht inroepen wanneer er een vacature is in de school of in een andere buo-school van het schoolbestuur of in de scholengemeenschap.

Alle betrekkingen die ingericht worden in het kader van de ondersteuningsnetwerken zijn tijdelijk. Dat betekent ook dat de vastbenoemde GON-begeleiders, die benoemd zijn in een ambt van het onderwijzend of paramedisch personeel, in een tijdelijke betrekking aangesteld worden als ze hun begeleidingsopdracht willen continueren, weliswaar als ondersteuner (volgens de principes van het ondersteuningsnetwerk: leerling en/of leerkrachtondersteunend; flexibele inzet, korte trajecten, lange trajecten…).

Op 1 september moeten de betrekkingen verdeeld worden onder de vastbenoemde personeelsleden. Een school voor buo beschikt in eerste instantie niet meer over het GON-pakket om vastbenoemde personeelsleden in aan te stellen. Dit betekent dat alle vastbenoemde personeelsleden per ambt in volgorde van dienstanciënniteit moeten geplaatst worden. Niet alle vastbenoemden zal men een betrekking kunnen geven. Diegenen met de minste dienstanciënniteit kunnen TBSOB (ter beschikking gesteld wegens ontstentenis van betrekking) worden.

In een volgende fase zal er gekeken moeten worden wie zich kandidaat stelt voor de functies in het ondersteuningsnetwerk. Wanneer een vastbenoemd personeelslid uit de school zich kandidaat stelt voor het ondersteuningsteam, dan kan hij daar terecht via een verlof voor het uitvoeren van een tijdelijk andere opdracht (TAO). In de school moet er dan een vervanger aangesteld worden.

Een personeelslid dat TBSOB is, kan in deze vervangopdracht (voor een volledig schooljaar) gereaffecteerd worden. Een TBSOB’er kan ook rechtstreeks gereaffecteerd worden in het ondersteuningsteam, maar dit is niet verplicht. Er kunnen ook tijdelijke personeelsleden aangesteld worden in het ondersteuningsteam.

Ten aanzien van de personeelsleden met TBSOB gelden dan de normale reaffectatieverplichtingen binnen de scholengemeenschap. Als er geen aanstelling mogelijk is in de eigen school of in een andere school van het schoolbestuur, dan buigt de reaffectatiecommissie van de scholengemeenschap (of de Vlaamse reaffectatiecommissie voor scholen die niet tot een scholengemeenschap behoren) zich over het ter beschikking gestelde personeelslid en zoekt naar een betrekking waarin het personeelslid gereaffecteerd of wedertewerkgesteld kan worden.

Een school buitengewoon onderwijs kan lestijden, lesuren en uren toegekend krijgen in het ondersteuningsnetwerk.

Hier worden personeelsleden in aangesteld in de ambten van het buitengewoon onderwijs, zoals onderwijzer ASV, kleuteronderwijzer ASV, leraar ASV, leraar BGV, leraar secundair onderwijs (AV, TV of PV in OV4), kinesist, logopedist, orthopedagoog…

De ondersteuners blijven geaffecteerd aan de school voor buitengewoon onderwijs. Deze betrekkingen zijn tijdelijk van aard, er kan niet in worden vast benoemd. Het personeelslid bouwt in het ambt wel anciënniteit op.

Het schoolbestuur is niet verplicht om een personeelslid met TBSOB hierin te reaffecteren of weder tewerk te stellen. Een TBSOB’er kan ook niet verplicht worden om in het ondersteuningsteam gereaffecteerd of weder tewerk gesteld te worden.

Het is de bedoeling dat een personeelslid zich kandidaat stelt voor het ondersteuningsteam.

Op deze manier wordt het mogelijk gemaakt dat de personeelsleden met de juiste competenties ingezet kunnen worden, enerzijds ter ondersteuning van de leerlingen met bijzondere zorg- en onderwijsbehoeften in het gewoon onderwijs en anderzijds ter ondersteuning van de leerkrachten en leerkrachtenteams in de scholen van het gewoon onderwijs in het ondersteuningsnetwerk.

Een reaffectatie, wedertewerkstelling of tewerkstelling in het ondersteuningsteam is beperkt tot de duur van het schooljaar, maar kan op vrijwillige basis (in onderling overleg tussen het schoolbestuur en het personeelslid) het daaropvolgende schooljaar worden verlengd. Er geldt dus geen bestendigheid bij dergelijke reaffectatie, wedertewerkstelling of tewerkstelling.

  • Via een vrijwillige reaffectatie, wedertewerkstelling of een tewerkstelling
  • Via een verlof om tijdelijk een andere opdracht uit te oefenen tot aan het einde van het schooljaar (31 augustus)
  • Via een afwezigheid voor verminderde prestaties (AVP)

Een vastbenoemd personeelslid kan voor (een deel van) zijn opdracht een afwezigheid voor verminderde prestaties nemen en dan kandideren voor een aanstelling als ondersteuner. Die aanstelling is tijdelijk.

Een verlof voor TAO is geen recht. Het is enkel mogelijk met vrijwillige instemming van alle betrokken partijen: het personeelslid, het schoolbestuur waar het personeelslid vastbenoemd (of gereaffecteerd) is, en het schoolbestuur waar het personeelslid als tijdelijke kan worden aangesteld.

Het verlof TAO wordt toegestaan voor de duur van de tijdelijk ander opdracht. Voor de titularis is dit dus tot 31 augustus.

Het schoolbestuur kan in sommige gevallen een overschrijding van het maximum aan gunstverloven kan toestaan, bv. omwille van de meerwaarde van de functie die het personeelslid wil opnemen via een verlof voor TAO. Voor wat betreft de betrekkingen in het ondersteuningsteam: hier hebben we gestreefd naar een maximale flexibiliteit om personeelsleden in te zetten in het ondersteuningsteam. Het is mogelijk gemaakt om de personeelsleden met de juiste competenties op de juiste plaats in te zetten, in dit geval in een ondersteunende rol in het ondersteuningsnetwerk.

In de overgangsfase hebben deze betrekkingen bovendien een tijdelijk karakter wat maakt dat het nemen van een verlof voor TAO in de meeste gevallen noodzakelijk zal zijn om als vastbenoemd personeelslid in de school de taak van ondersteuner op zich te nemen. Om kwaliteitsvolle ondersteuning te kunnen bieden vanuit het buitengewoon onderwijs in het gewoon onderwijs in een ondersteuningsnetwerk pleiten we er dan ook voor dat schoolbesturen een aanvraag voor een verlof TAO zouden goedkeuren wanneer het over een geschikte kandidaat-ondersteuner gaat.

Aangezien de tijdelijk andere opdracht uitgevoerd wordt in de eigen school bij het eigen schoolbestuur en in hetzelfde ambt zijn hier geen nadelen aan verbonden. Onderliggend heeft een personeelslid dat een tijdelijk andere opdracht uitoefent de zekerheid van een vaste benoeming. Het personeelslid blijft ook hetzelfde loon ontvangen. De anciënniteit wordt ook verder opgebouwd in het ambt.

In zijn tijdelijk andere opdracht kan een personeelslid een andere dienstonderbreking opnemen indien het als tijdelijk personeelslid aan alle specifieke voorwaarden voldoet om recht te hebben op het gewenste verlofstelsel.

Indien het personeelslid als tijdelijk aangestelde (d.w.z. in zijn tijdelijk andere opdracht) niet voldoet aan de geldende voorwaarden, kan het de gewenste dienstonderbreking niet opnemen in zijn tijdelijke aanstelling. Het dient dan de tijdelijk andere opdracht te beëindigen en administratief terug te keren naar de betrekking van vaste benoeming om de dienstonderbreking daar op te nemen.

Wanneer een vastbenoemd personeelslid via een verlof TAO gaat werken in het ondersteuningsteam moet er gezocht worden naar een vervanger in de betrekking van het vastbenoemd personeelslid in de school. Het gaat hier over een vervangingsopdracht. De vervanger bouwt anciënniteit op, maar het gaat over niet-vacante uren en daarin kan niet benoemd worden. Deze situatie is analoog aan andere langdurende vervangingsopdrachten omdat de titularis een verlofstelsel neemt dat van schooljaar tot schooljaar verlengd wordt. Het kan bv. ook gaan over een leraar die al een aantal jaren gedetacheerd is, maar ook over een leraar die al enkele jaren in loopbaanonderbreking is. Het is dus mogelijk dat bepaalde personeelsleden hierdoor langer moeten wachten op een vaste benoeming.

Ja, voor zover gewenst en indien ze voldoen aan het profiel van ondersteuner in gewijzigde opdracht en prestatieregeling.

De kandidaatstelling gebeurt bij de scholen buitengewoon onderwijs in de ondersteuningsnetwerken. De scholen buitengewoon onderwijs stellen uiteindelijk de personeelsleden aan, maar er vindt in het ondersteuningsnetwerk voorafgaand overleg plaats over de aanwerving van ondersteuners. Er wordt gekeken naar het profiel en de competenties van de kandidaten. Er moet ook onderzocht worden hoe kandidaten aangesteld kunnen worden (via TAO, reaffectatie…).

Ja. Een school kan een personeelslid aanstellen dat TADD-recht heeft opgebouwd. Dat is een keuze die de school kan maken. De aanstelling wordt statutair beschouwd als een TADD-aanstelling, maar die aanstelling is alleszins beperkt tot het lopende schooljaar. De TADD-aanstelling kan het daaropvolgende schooljaar op vrijwillige basis (in onderling overleg tussen het schoolbestuur en het personeelslid) worden verlengd, maar dat is geen verplichting.

Ja. Door eventuele overdracht van de extra lestijden, lesuren of uren wordt er geen nieuwe of bijkomende TBSOB gecreëerd. Daardoor is overdracht mogelijk. Overdracht is enkel mogelijk naar een andere school voor buitengewoon onderwijs van hetzelfde onderwijsniveau.

De verschillende manieren waarop personeelsleden vanuit het secundair of basisonderwijs ingezet kunnen worden in het hoger onderwijs om studenten met specifieke onderwijsbehoeften te ondersteunen, worden duidelijk toegelicht in Punt 4.5. van de Omzendbrief NO/2017/02 van 16/06/2017 over het nieuwe ondersteuningsmodel.

De buo-school zal per personeelslid hetzelfde bedrag ontvangen als voor de andere personeelsleden aan de school verbonden. Dit bedrag is (ongeveer) € 75 per persoon.